ECLI:NL:RBDHA:2026:1467

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2503147:R-RK en NL:TZ:2503155:R-RK
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 292 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot oplegging dwangakkoord wegens onvoldoende maximaal aanbod

Verzoeksters bevinden zich in een problematische schuldensituatie met een totale schuldenlast van €248.434,72 verdeeld over 13 schuldeisers. Zij deden een voorstel tot schuldregeling waarbij een deel van de vorderingen wordt voldaan en het restant wordt kwijtgescholden. Dit voorstel voorziet in een uitkering van 5,46% aan schuldeisers met voorrang en 2,73% aan gewone schuldeisers over 18 maanden.

De grootste schuldeiser, de Belastingdienst, met een vordering van €234.415 (94,36% van de totale schuld), en een andere schuldeiser zijn niet akkoord gegaan. Verzoeksters vroegen de rechtbank om een dwangakkoord op te leggen om de weigering van deze schuldeisers te overrulen.

De rechtbank oordeelt dat het voorstel niet het maximaal haalbare is, mede omdat een van de verzoekers sinds mei 2025 werkloos is zonder aantoonbare sollicitaties, waardoor de afloscapaciteit mogelijk kan verbeteren. De belangenafweging leidt tot het oordeel dat de weigering van de schuldeisers redelijk is, vooral gezien hun grote aandeel in de schuld. Daarom wordt het verzoek tot oplegging van het dwangakkoord afgewezen.

Het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) blijft staan en zal in een apart vonnis worden behandeld.

Uitkomst: Verzoek tot oplegging dwangakkoord wordt afgewezen wegens onvoldoende maximaal aanbod en redelijke weigering van schuldeisers.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANKDEN HAAG
Team Toezicht
rekestnummers: NL:TZ:2503147:R-RK en NL:TZ:2503155:R-RK
vonnis van 20 januari 2026
in de zaak van
[verzoekster],
en
[verzoeker],
beiden wonende binnen het arrondissement Den Haag,
hierna: [verzoekster] en [verzoeker] ,
tegen
[schuldeiseres] advocatenkantoor,
gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna: [schuldeiseres],
en
Landelijk Incassocentrum Belastingdienst (LIC),
gevestigd te Enschede,
hierna: de Belastingdienst,
verweersters.
Waar deze zaak over gaat
[verzoekster] en [verzoeker] bevinden zich in een problematische schuldensituatie. Zij hebben een voorstel gedaan aan hun schuldeisers, waarbij een deel van de vordering wordt voldaan en het resterende deel door de schuldeiser wordt kwijtgescholden. Omdat niet alle schuldeisers met dit voorstel hebben ingestemd, hebben [verzoekster] en [verzoeker] de rechtbank verzocht het aangeboden akkoord dwingend op te leggen. Dit verzoek wordt door de rechtbank afgewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De feiten waar de rechtbank van uit gaat

1.1.
[verzoekster] en [verzoeker] hebben de afgelopen jaren een schuldenlast opgebouwd van € 248.434,72 aan 13 schuldeisers. Het is [verzoekster] en [verzoeker] niet gelukt om zelf een oplossing te vinden voor deze schulden. Met behulp van de [gemeente] hebben zij voor het laatst op 19 september 2025 een schuldregeling aangeboden (prognoseakkoord). Dit voorstel houdt in dat over een periode van 18 maanden aan de schuldeisers met een recht van voorrang een uitkering
wordt aangeboden van 5,46% en aan de gewone schuldeisers een uitkering van 2,73%,
tegen kwijtschelding van het restant van hun vorderingen. Deze percentages zijn gebaseerd op de afloscapaciteit van [verzoekster] en [verzoeker] op basis van hun inkomen. Dat betekent dat de afloscapaciteit (en daarmee ook de uiteindelijke uitkering aan de schuldeisers) eventueel hoger of lager kan uitvallen.
1.2.
[schuldeiseres] is niet akkoord gegaan met dit voorstel. [verzoekster] en [verzoeker] hebben een schuld aan [schuldeiseres] van € 2.510,69. Dat is 1,01% van de totale schuldenlast.
1.3.
De Belastingdienst is ook niet akkoord gegaan met dit voorstel. [verzoekster] en [verzoeker] hebben een schuld aan de Belastingdienst van € 234.415,--. Dat is 94,36% van de totale schuldenlast.
1.4.
Om tot een oplossing voor hun schulden te komen hebben [verzoekster] en [verzoeker] bij de rechtbank twee verzoeken ingediend. In de eerste plaats willen zij dat de rechtbank verweersters dwingt mee te werken aan de schuldregeling (een dwangakkoord oplegt). Wanneer de rechtbank dit verzoek afwijst, willen zij worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP).

2.De procedure

2.1.
De verzoeken van [verzoekster] en [verzoeker] zijn behandeld op de zitting van 12 januari 2026. Op deze zitting verschenen:
- [verzoekster] en [verzoeker] ,
- [naam 1], schuldhulpverlener van de [gemeente],
- [naam 2], klantbegeleider van de [gemeente],
- mr. [naam 3] (telefonisch), namens de Belastingdienst.
2.2.
[schuldeiseres] is opgeroepen, maar niet op de zitting verschenen.

3.Standpunten van partijen

3.1.
[verzoekster] en [verzoeker] stellen dat het onredelijk is dat verweersters het aanbod niet aanvaarden. Volgens hen hebben zij al het mogelijke gedaan om het aangeboden percentage aan hun schuldeisers aan te bieden en kunnen zij niet meer aanbieden dan zij hebben gedaan. De weigering van verweersters benadeelt de schuldeisers die wel akkoord gaan.
3.2.
[schuldeiseres] heeft haar standpunt niet kenbaar gemaakt aan de rechtbank.
3.3.
De Belastingdienst heeft ter zitting en in haar verweerschrift van 8 januari 2026 diverse argumenten aangevoerd waarom zij niet instemt met de aangeboden schuldregeling.

4.De beoordeling van de verzoeken

4.1.
De rechtbank zal het verzoek van [verzoekster] en [verzoeker] om een dwangakkoord op te leggen afwijzen. Hieronder wordt dit oordeel toegelicht.
Het beoordelingskader van een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord
4.2.
Een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord kan worden toegewezen als aan twee voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet de rechtbank vaststellen dat de schuldbemiddeling op de juiste wijze is uitgevoerd door een daartoe bevoegde instantie. Ten tweede moet de rechtbank aan de hand van een belangenafweging vaststellen dat het onredelijk is dat verweersters weigeren in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.
De schuldbemiddeling moet zijn uitgevoerd door een bevoegde instantie
4.3.
De rechtbank stelt vast dat de schuldbemiddeling is uitgevoerd door de gemeente
Den Haag. Dat betekent dat wordt voldaan aan de door de wet gestelde voorwaarde(n), namelijk dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij.
De rechtbank moet een belangenafweging maken
4.4.
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser vrijstaat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt betaald. Tegelijkertijd is het belangrijk dat mensen met problematische schulden zicht hebben op een schuldenvrije toekomst. De wetgever biedt daar verschillende regelingen voor, waarbij mensen met schulden zich maximaal moeten inspannen om zo veel mogelijk af te lossen en daarna schuldenvrij verder kunnen. Schuldeisers moeten dan vaak wel afstand doen (van een (groot) deel) van hun vordering. Daarom kunnen schuldeisers alleen onder bijzondere omstandigheden gedwongen worden om in te stemmen met een aangeboden schuldregeling.
4.5.
De rechtbank kan een zogenaamd ‘dwangakkoord’ opleggen wanneer de weigering van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden onredelijk is. Om te kunnen beoordelen of dat het geval is, moet de rechtbank de belangen van alle betrokkenen afwegen: van [verzoekster] en [verzoeker] zelf, van de weigerende schuldeisers en van de schuldeisers die wél hebben ingestemd. Op basis van die belangenafweging is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat een dwangakkoord hier niet op zijn plaats is.
[verzoekster] en [verzoeker] hebben niet het maximaal haalbare voorstel gedaan
4.6.
Het voorstel dat [verzoekster] en [verzoeker] aan hun schuldeisers hebben gedaan is niet het maximaal haalbare. Het voorstel is gebaseerd op de inkomsten van [verzoekster] en [verzoeker] . [verzoekster] werkt voltijds. [verzoeker] is sinds 2 mei 2025 werkloos en heeft geen inkomsten. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende duidelijk dat het voorliggende bod het uiterste is waartoe [verzoekster] en [verzoeker] financieel in staat kunnen worden geacht. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat [verzoeker] geen inkomsten heeft en de afgelopen periode niet aantoonbaar heeft gesolliciteerd naar een betaalde baan, terwijl niet is gebleken van arbeidsongeschiktheid. [verzoeker] moet dus in staat geacht worden zijn inkomenssituatie te kunnen verbeteren zodat meer op de schulden kan worden afgelost.
Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de schuldeisers die niet met het aanbod hebben ingestemd – en die in beginsel recht hebben op integrale betaling van hun vordering – in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling
hebben kunnen komen. Bovendien bedragen de vorderingen van verweersters met in totaal 95,37% bijna de totale schuldenlast. De belangenafweging dient daarom in hun voordeel uit te vallen. Het verzoek zal worden afgewezen.
Argumenten van de Belastingdienst
4.7.
Omdat de rechtbank op grond van het voorgaande al tot afwijzing van het verzoek tot het opleggen van het dwangakkoord komt, is het niet nodig de andere argumenten op grond waarvan de Belastingdienst niet instemt met de aangeboden schuldregeling te bespreken.
Op het WSNP-verzoek wordt in een apart vonnis beslist
4.8.
[verzoekster] en [verzoeker] hebben op de zitting laten weten het verzoek om te worden toegelaten tot WSNP te handhaven als het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord wordt afgewezen. De rechtbank zal op dat verzoek in een apart vonnis beslissen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord af.
Dit is een beslissing van mr. M. van Nooijen, rechter, in samenwerking met F.J. Knaap LL.B, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.
De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunnen [verzoekster] en [verzoeker] gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof in Den Haag. Dit kan alleen indien het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ook door de rechtbank is afgewezen en [verzoekster] en [verzoeker] tegelijk hoger beroep instellen tegen die afwijzing (art. 292 lid 3 Fw Pro).