In deze bestuursrechtelijke zaak heeft het UWV op 15 april 2025 besloten de Ziektewetuitkering van eiseres per 16 mei 2025 te beëindigen. Eiseres maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het UWV heeft niet tijdig op het bezwaar beslist. De rechtbank ontving het beroepschrift op 23 februari 2026 en constateerde dat de beslistermijn van negen weken, zoals voorgeschreven in artikel 8:55d Awb, was overschreden.
Het UWV gaf aan dat de heroverweging nog niet had plaatsgevonden vanwege een tekort aan verzekeringsartsen. De rechtbank erkent dat in medische zaken waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake kan zijn van een bijzonder geval dat een langere beslistermijn rechtvaardigt. Op basis van eerdere uitspraken stelt de rechtbank een termijn van negen weken na verzending van deze uitspraak vast waarbinnen het UWV de medische beoordeling moet verrichten en een besluit moet nemen.
De rechtbank legt het UWV een dwangsom op van €100 per dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van €15.000. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiseres. Het beroep wordt gegrond verklaard en het niet tijdig beslissen vernietigd, met de opdracht aan het UWV alsnog binnen de gestelde termijn te beslissen.