Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14634

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
09/319319-24
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontnemingsvordering wegens vrijspraak mensenhandel

De rechtbank Den Haag behandelde op 1 juni 2026 een ontnemingsvordering van het openbaar ministerie tegen de betrokkene, die werd verdacht van medeplegen van mensenhandel. De vordering betrof het vaststellen en ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van € 11.542,50.

Tijdens de terechtzitting van 18 mei 2026 werden de standpunten van de officier van justitie en de verdediging gehoord. De ontnemingsvordering was gebaseerd op de feiten die aan de betrokkene ten laste waren gelegd in de strafzaak, namelijk het medeplegen van mensenhandel ten aanzien van twee aangeefsters.

De rechtbank sprak de betrokkene echter vrij van deze feiten. Hierdoor ontbrak de wettelijke grondslag voor het opleggen van een ontnemingsmaatregel. Op grond hiervan wees de rechtbank de vordering van het openbaar ministerie af en legde geen betalingsverplichting op aan de betrokkene.

Uitkomst: De rechtbank wijst de ontnemingsvordering af omdat de betrokkene is vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/319319-24 (ontneming)
Datum uitspraak: 1 juni 2026
Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het openbaar ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de betrokkene:
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,
adres: [adres] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 18 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt dat de officier van justitie
mr. N.Y. Rose op de terechtzitting heeft ingenomen en van hetgeen door de betrokkene en haar raadsvrouw mr. Y.W.G. Verschuren op de terechtzitting naar voren is gebracht.

2.De inhoud van de vordering

De vordering van de officier van justitie strekt ertoe dat de rechtbank het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van
€ 11.542,50 en aan de betrokkene de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van dat bedrag.

3.De grondslag voor ontneming

De ontnemingsvordering is gegrond op het in de strafzaak aan de betrokkene onder de feiten
1 en 2 tenlastegelegde, te weten het medeplegen van mensenhandel ten aanzien van [aangeefster 1] en [aangeefster 2] . De betrokkene wordt bij vonnis van heden in de strafzaak echter vrijgesproken van die feiten 1 en 2. Daarmee is er geen grondslag voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

4.De beslissing

De rechtbank:
wijst af de vordering van het openbaar ministerie ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.P. Verbeek, voorzitter,
mr. P.C. Goilo-Kam, rechter,
mr. S.E. Bandsma, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M. Walenkamp, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 juni 2026.