ECLI:NL:RBDHA:2026:14634
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing ontnemingsvordering wegens vrijspraak mensenhandel
De rechtbank Den Haag behandelde op 1 juni 2026 een ontnemingsvordering van het openbaar ministerie tegen de betrokkene, die werd verdacht van medeplegen van mensenhandel. De vordering betrof het vaststellen en ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van € 11.542,50.
Tijdens de terechtzitting van 18 mei 2026 werden de standpunten van de officier van justitie en de verdediging gehoord. De ontnemingsvordering was gebaseerd op de feiten die aan de betrokkene ten laste waren gelegd in de strafzaak, namelijk het medeplegen van mensenhandel ten aanzien van twee aangeefsters.
De rechtbank sprak de betrokkene echter vrij van deze feiten. Hierdoor ontbrak de wettelijke grondslag voor het opleggen van een ontnemingsmaatregel. Op grond hiervan wees de rechtbank de vordering van het openbaar ministerie af en legde geen betalingsverplichting op aan de betrokkene.
Uitkomst: De rechtbank wijst de ontnemingsvordering af omdat de betrokkene is vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.