Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie van 16 januari 2026, waarin zijn asielaanvraag werd afgewezen en een terugkeerbesluit werd opgelegd. Verzoeker heeft tevens een voorlopige voorziening gevraagd om het besluit tijdelijk te schorsen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening op 17 april 2026 behandeld, samen met het hoofdberoep. Op 1 juni 2026 heeft de rechtbank uitspraak gedaan en het samenhangende beroep gegrond verklaard, waardoor de voorlopige voorziening niet langer nodig is.
De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek om voorlopige voorziening af. Omdat het beroep gegrond is verklaard, wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 934,-. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.