Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14601

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
NL26.25349
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht

De rechtbank Den Haag behandelde op 21 mei 2026 het beroep van eiser tegen het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd door verweerder op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser had tevens een verzoek om schadevergoeding ingediend.

De rechtbank overwoog dat de maatregel tot het moment van het sluiten van het onderzoek rechtmatig was bevonden in een eerdere uitspraak. De beoordeling richtte zich daarom op de periode daarna. Eiser had wisselende verklaringen gegeven over zijn bereidheid zelfstandig te vertrekken, waardoor verweerder terecht koos voor uitzetting met escorts. De rechtbank benadrukte de meewerkplicht van eiser en concludeerde dat het niet voldoen daaraan voor zijn risico komt, waardoor een redelijk vooruitzicht op verwijdering kan worden aangenomen.

Gezien de afhankelijkheid van verweerder van de medewerking van buitenlandse autoriteiten en de voortvarendheid van verweerder, oordeelde de rechtbank dat het voortduren van de maatregel niet onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.25349
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

(gemachtigde: mr. B. Pattiata).

Procesverloop

Verweerder heeft op 4 december 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 10 april 2026 (in de zaak NL26.17412) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
2. De rechtbank maakt uit het dossier op eiser wisselend heeft verklaard of hij zelfstandig wil vertrekken met zijn paspoort. Verweerder heeft dan ook terecht gekozen om eiser door middel van escorts uit te zetten. Dit betekent dat de autoriteiten medewerking moeten verlenen voor het verkrijgen van een laissez-passer en visa voor de escorts. Verweerder heeft daarbij geen invloed op de diplomatieke vertegenwoordiging. De rechtbank concludeert dat op eiser de verplichting rust om zijn volledige en actieve medewerking aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit te verlenen. Nu eiser niet aan zijn meewerkplicht voldoet komt de lange duur van de bewaring voor zijn risico en kan volgens vaste jurisprudentie een redelijk vooruitzicht op verwijdering reeds daarom worden aangenomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt aan de uitzetting van eiser, gezien de mogelijkheden die verweerder heeft. Zeker gelet op het feit dat verweerder afhankelijk is van de medewerking van de Libische autoriteiten.
3. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is [1] , ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de toepassing en het voortduren van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026 door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van N. Mekenkamp, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.