Uitspraak
1.De procedure in het verzoek en in het tegenverzoek
2.De feiten in de zaak van het verzoek en in de zaak van het tegenverzoek
3.De verzoeken en de verweren
4.De beoordeling
de steeds groeiende DVP niet in mijn eentje kan blijven doen”, dat hij soms werk moet laten vallen of ’s avonds en op zijn roostervrije maandag moet doorwerken (e-mail 30 november 2022). Ook geeft [verzoekende partij] in zijn e-mail van 30 november 2022 aan dat de hoeveelheid werk die hij aan kan zijn grens allang heeft bereikt. Op 7 maart 2023 schrijft [verzoekende partij] dat hij in zijn eentje heel DVP zit te doen en dat hij zijn stinkende best doet om iedereen vanuit zijn positie te ondersteunen en dat hij meer dan zijn best niet kan doen. Hij vraagt om begrip. In de e-mail van 26 april 2023 schrijft [verzoekende partij] vervolgens dat hij de maandagen vanaf 2022 heeft gewerkt en dat hij die niet kon opnemen als tijd voor tijd en ook geeft hij nogmaals aan dat hij in zijn eentje DVP heeft moeten bedienen. Ter zitting heeft [naam 2] (stafhoofd RIVM) verklaard dat [verzoekende partij] inderdaad heeft aangegeven dat de werkdruk hoog is en dat vanuit het RIVM aan [verzoekende partij] is gezegd dat hij de werkzaamheden niet op zijn roostervrije maandag moet uitvoeren, waardoor ook voor de organisatie zichtbaar zou worden dat de werkzaamheden niet af zouden komen als [verzoekende partij] niet zou overwerken. [verzoekende partij] betwist dat dit tegen hem is gezegd. Wat daar verder ook van zij, naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende komen vast te staan dat [verzoekende partij] op zijn roostervrije maandagen heeft gewerkt. Dit wordt door [naam 2] immers ook erkend. Dat het RIVM zou hebben aangegeven dat hij dit niet moest doen, doet daaraan niet af en blijkt verder ook nergens uit. Dit leidt evenwel niet tot het oordeel dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van de Staat. Vast staat dat [verzoekende partij] een drietal e-mails heeft verstuurd over de werkdruk en het werken op zijn roostervrije maandag. De eerste e-mail is verstuurd op 30 november 2022 en de volgende pas op 7 maart 2023. De kantonrechter begrijpt dat [verzoekende partij] daarmee wil onderbouwen dat het RIVM over die periode niets heeft gedaan om de werkdruk te verlichten, maar naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit de e-mails onvoldoende dat de werkdruk voor [verzoekende partij] dusdanig hoog was dat dit invloed had op zijn welbevinden. Alleen in de e-mail van 30 november 2022 schrijft [verzoekende partij] dat de hoeveelheid werk die hij aan kan zijn grens heeft bereikt. Daarna heeft hij een opmerking van dergelijke strekking niet meer gemaakt en dus ook pas op 7 maart 2023 weer een e-mail verstuurd over de werkdruk. Evenmin is vast komen te staan dat [verzoekende partij] op een andere manier te kennen heeft gegeven bij het RIVM dat de werkdruk dusdanig hoog was dat hij er psychisch of lichamelijk onder heeft geleden. Tot slot is niet gebleken dat het RIVM (zodanige) druk op hem heeft uitgeoefend om de werkzaamheden koste wat het kost af te ronden waardoor hij psychisch onder druk gezet zou zijn.
“Op basis van bovenstaande bronnen is er sprake van een consistent verhaal en beloop van ervaren buitensporig karakter in dé verhouding binnen het werk en de werkomstandigheden, zowel bij het RIVM als bij RWS.”Ook heeft de medisch adviseur het over “
deze buitensporige werkomstandigheden”. Dit alles wordt echter niet van enige onderbouwing voorzien. Niet duidelijk wordt om wélke buitensporige werkomstandigheden het dan zou gaan en wat er dan zou zijn gebeurd. Naar het oordeel van de kantonrechter kan aan de hand van het rapport van Mediathos dan ook niet worden vastgesteld dat sprake zou zijn van een causaal verband tussen de door [verzoekende partij] gestelde schending van de zorgplicht van de Staat en de arbeidsongeschiktheid van [verzoekende partij] , voor zover al zou komen vast staan dat de Staat haar zorgplicht zou hebben geschonden hetgeen – zoals hiervoor is overwogen – niet het geval is.