Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14486

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
NL26.4143 en NL26.4144
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30b Vw 2000Vreemdelingenwet 2000Vluchtelingenverdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid problemen met Turkse autoriteiten

Eiser, van Turkse nationaliteit, diende op 29 december 2025 een asielaanvraag in met het relaas dat hij vanwege zijn werkzaamheden bij de Turkse strijdkrachten en betrokkenheid bij een onderzoek naar witwassen door hoge Turkse functionarissen problemen ondervindt met de Turkse autoriteiten. De minister wees de aanvraag op 16 januari 2026 af als kennelijk ongegrond, stellende dat de problemen niet geloofwaardig zijn vanwege onvoldoende en tegenstrijdige bewijsstukken.

De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening op 20 april 2026, waarbij eiser niet aanwezig was. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende concrete aanknopingspunten had geleverd om het negatieve advies van Bureau Documenten over de authenticiteit van een antecedentenverklaring te betwisten. Ook werd de verklaring van de Turkse advocaat als onvoldoende bewijs beoordeeld.

Verder vond de rechtbank dat de minister terecht gebruik maakte van openbare bronnen om de geloofwaardigheid van het asielrelaas te toetsen en dat de minister de tegenstrijdigheden in de verklaringen van eiser over zijn vlucht en werkzaamheden terecht had gemotiveerd. De rechtbank concludeerde dat de minister de aanvraag terecht als kennelijk ongegrond kon afwijzen op grond van de Vreemdelingenwet 2000.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter M.B. de Boer.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.4143 (beroep) en NL26.4144 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1984, van Turkse nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. A.W. IJland),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. S. Deniz).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en het verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 29 december 2025 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel ingediend.
2.1.
De minister heeft met het bestreden besluit van 16 januari 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt zijn uitzetting te voorkomen totdat op het beroep is beslist.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep en de voorlopige voorziening op 20 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Eiser is niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Asielrelaas
3. Eiser heeft aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd dat hij problemen heeft met de Turkse autoriteiten. Eiser heeft vanaf 2001 tot aan zijn vertrek in 2025 bij de Turkse strijdkrachten, afdeling [afdeling] , gewerkt. Bij de uitoefening van zijn werkzaamheden deed hij onderzoek naar witwassen. Het hoofd van de witwaspraktijken in [plaats] , [persoon 1] , trad tijdens het onderzoek op als informant. Uit het onderzoek kwam naar voren dat hoge functionarissen van de Turkse overheid, waaronder [persoon 2] , betrokken waren bij het witwassen. Nadat het rapport van het onderzoek bekend werd, is [persoon 1] vermoord. Ook een andere informant, [persoon 3] , werd vermoord. Inmiddels loopt er een strafrechtelijk onderzoek naar eiser. Hij wordt ervan verdacht dat hij een onderzoek heeft ingesteld naar de hoge functionarissen, dat hij hiervan verslag heeft uitgebracht en dat hij dit bekend heeft gemaakt aan derden. De Turkse autoriteiten hebben zijn huis verzegeld.
Bestreden besluit
4. Het asielrelaas bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
  • identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • problemen met de Turkse autoriteiten vanwege betrokkenheid bij een onderzoek namens de Turkse [afdeling] .
4.1.
De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De minister vindt de problemen met de Turkse autoriteiten vanwege betrokkenheid bij een onderzoek namens de Turkse [afdeling] niet geloofwaardig. Daarbij werpt de minister ten eerste tegen dat eiser onvoldoende documenten heeft gegeven en dat hij hiervoor geen goede verklaring heeft.
4.2.
Ten tweede werpt de minister tegen dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De overgelegde kopie van de antecedentenverklaring kent een negatief advies van Bureau Documenten en is in strijd met de eigen verklaringen van eiser. Ook getuigen de verklaringen van eiser niet van de gestelde betrokkenheid bij het onderzoek vanuit de [afdeling] . Verder zijn het bezitten van een groen paspoort en de door eiser gestelde problemen in strijd met zijn verklaringen over zijn rol bij de [afdeling] en zijn uitreis. Bovendien heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij vanaf 2001 tot en met zijn vertrek heeft gewerkt bij de [afdeling] van de Turkse strijdkrachten.
4.3.
Tot slot werpt de minister eiser tegen dat hij niet in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.
4.4.
De minister concludeert dat eiser geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag [1] en dat eiser bij terugkeer naar Turkije geen reëel risico loopt op ernstige schade. De minister wijst de asielaanvraag af als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder c en e van de Vw 2000 [2] . Eiser heeft de minister namelijk misleid door belangrijke/relevante informatie en documenten die een negatieve invloed op de beslissing hebben, niet te geven. Ook heeft eiser verklaringen afgelegd die worden beoordeeld als duidelijk onwaarschijnlijk en tegenstrijdig met voldoende geverifieerde informatie. De minister legt eiser een terugkeerbesluit op zonder vertrektermijn met Turkije als land van terugkeer. Ook legt de minister een inreisverbod op voor de duur van twee jaar.
Handhaven eerdere stellingen
5. Ten eerste handhaaft eiser alle stellingen die hij eerder in de procedure heeft ingenomen tenzij hij daar expliciet afstand van neemt. Ook verwijst eiser naar de stukken die hij eerder in de procedure heeft overgelegd. Eiser vindt de reactie van de minister op die stellingen een herhaling van zetten en daarom volstaat een verwijzing naar de eerder ingenomen stellingen en overgelegde stukken.
6. De rechtbank beschouwt dit niet als een beroepsgrond. De minister is in het bestreden besluit ingegaan op wat eiser eerder in de procedure heeft aangevoerd. Eiser heeft niet toegelicht waarom de reactie van de minister tekortschiet.
De geloofwaardigheidsbeoordeling
7. Eiser kan zich niet verenigen met het standpunt van de minister dat zijn problemen met de Turkse autoriteiten niet geloofwaardig zijn. De rechtbank beoordeelt hierna de beroepsgronden van eiser hierover.
De antecedentenverklaring
8. Eiser heeft tijdens het nader gehoor een kopie van een antecedentenverklaring overgelegd. Bureau Documenten heeft dit document onderzocht en in een advies geconcludeerd dat het document hoogstwaarschijnlijk niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven. De opmaak en afgifte wijken namelijk af van het beschikbare vergelijkingsmateriaal.
9. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser onvoldoende naar voren heeft gebracht om te twijfelen aan dit advies van Bureau Documenten. Eiser heeft een verklaring gegeven voor de afwijking van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. Bureau Documenten heeft de antecedentenverklaring mogelijk vergeleken met automatisch ondertekende exemplaren die volgens eiser gebruikelijk van E-devlet kunnen worden verkregen. In dit geval is het document in persoon afgegeven aan de advocaat. Het document is daarom met natte inkt ondertekend en bestempeld.
10. De minister heeft in aanloop naar de zitting een vergewisbrief overgelegd. Uit deze brief blijkt dat TOELT [3] inzage heeft gekregen in de onderliggende stukken van het advies van Bureau Documenten. TOELT is tot de conclusie gekomen dat het advies inhoudelijk inzichtelijk is. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat Bureau Documenten heeft laten weten dat de stempel op de antecedentenverklaring afwijkt van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. Dat de stempel fysiek is aangebracht, maakt geen verschil. Daarbij heeft de minister zich primair op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht om te twijfelen aan het advies van Bureau Documenten. De minister heeft slechts uit voorzorg navraag gedaan bij Bureau Documenten.
11. De rechtbank is van oordeel dat eiser onvoldoende concrete aanknopingspunten voor twijfel aan het advies van Bureau Documenten naar voren heeft gebracht. Eiser heeft slechts toegelicht hoe hij aan de antecedentenverklaring is gekomen. Dit geldt niet als een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan het advies van Bureau Documenten. Bovendien heeft de minister navraag gedaan en het advies van Bureau Documenten op de zitting verduidelijkt.
11.1.
De beroepsgrond slaagt niet.
Verklaring van Turkse advocaat
12. Eiser heeft tijdens het nader gehoor een verklaring van zijn Turkse advocaat overgelegd. In de verklaring vermeldt de advocaat dat hij bij de overheidsinstanties een verzoek heeft ingediend om de woning van zijn cliënt te betreden en andere gegevens te verkrijgen en de blokkades op te heffen, maar dat hij een negatief antwoord heeft gekregen.
13. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte zeer beperkte bewijswaarde aan deze verklaring heeft gehecht omdat deze niet objectief verifieerbaar is, terwijl uit de rechtspraak volgt dat ook aan niet objectieve documenten grote bewijswaarde kan toekomen. Verder heeft de minister ten onrechte tegengeworpen dat eiser de verzoeken die de Turkse advocaat heeft gericht aan overheidsinstanties, niet heeft overgelegd. Eiser vindt dat met de expliciete verklaring van de advocaat voldoende aannemelijk is dat de verzoeken zijn gedaan en afgewezen.
14. De rechtbank is van oordeel dat de minister op goede gronden zeer beperkte bewijswaarde aan de verklaring van de Turkse advocaat heeft gehecht. De minister heeft eiser diverse keren gewezen op het belang van stukken. Eiser had bijvoorbeeld bewijs van het contact met zijn advocaat en diens advocatenpasje kunnen overleggen, maar heeft dit niet gedaan. Bovendien heeft de minister zeer beperkte bewijswaarde aan de verklaring van de advocaat kunnen hechten, omdat eiser via hem de antecedentenverklaring heeft verkregen waarover Bureau Documenten negatief heeft geadviseerd.
14.1.
De beroepsgrond slaagt niet.
Verklaringen van eiser over informant
15. Eiser voert aan dat de minister in de motivering van het bestreden besluit ten onrechte gebruik heeft gemaakt van internetbronnen die niet objectief zijn. Bovendien maakt het gebruik van deze bronnen het bestreden besluit inherent tegenstrijdig en in strijd met het beginsel van fair play, omdat de minister van eiser wel eist dat hij zijn verklaringen onderbouwt met objectief verifieerbare informatie.
16. De rechtbank is van oordeel dat de minister het standpunt dat de verklaringen van eiser over de informant niet stroken met informatie uit openbare bronnen, voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd. De minister heeft meerdere openbare bronnen, waaronder kranten, gebruikt om zijn standpunt te onderbouwen. Uit al deze bronnen blijkt dat de informant in 2022, en niet in 2023, is vermoord en dat zijn weduwe wel degelijk een rol had binnen zijn organisatie. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze bronnen niet betrouwbaar zijn of dat de informatie in deze bronnen niet klopt. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank ook niet in waarom het beginsel van fair play zou zijn geschonden.
16.1.
De beroepsgrond slaagt niet.
Verklaringen van eiser over de reis
17. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat de wijze waarop eiser is gevlucht, tegenstrijdig is met zijn verklaring dat hij bij de [afdeling] heeft gewerkt. De motivering is onbegrijpelijk althans lijkt aan elkaar te hangen door impliciete en niet onderbouwde aannames. Zo stelt de minister ten onrechte dat eiser een ticket heeft geboekt met de bankpas van zijn moeder en dat dat niet strookt met zijn verklaring dat hij voor de [afdeling] zou hebben gewerkt. De minister neemt ten onrechte aan dat eiser had moeten weten, als onderzoeker naar geldstromen, dat hij hierdoor snel te vinden zou zijn. Eiser is ook een mens, die misschien niet logisch handelt. Bovendien stelt de minister ten onrechte dat het niet aannemelijk is dat eiser met hulp van bevriende medewerkers via de VIP [4] -ingang het vliegtuig in is gesmokkeld.
18. De rechtbank is van oordeel dat de minister op goede gronden heeft tegengeworpen dat het niet logisch is dat eiser heeft verklaard dat hij met de bankpas van zijn moeder een vliegticket heeft gekocht om naar Nederland te komen, terwijl hij tegelijkertijd heeft verklaard dat hij geen sporen wilde achterlaten voor de Turkse autoriteiten. Deze onlogische verklaringen dragen niet bij aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring dat hij jarenlang bij de Turkse [afdeling] heeft gewerkt en onderzoek deed naar geldstromen.
18.1.
Dat eiser met hulp van zijn connecties op het vliegveld de VIP-ingang kon gebruiken komt de rechtbank op zichzelf niet onlogisch voor. De rechtbank is echter van oordeel dat de minister op goede gronden heeft tegengeworpen dat niet valt in te zien dat eiser aan de ene kant verklaart dat hij met behulp van bevriende collega’s op het vliegveld heeft kunnen uitreizen, terwijl hij aan de andere kant zegt dat hij geen gebruik kon maken van valse reisdocumenten omdat op het vliegveld overal gezichtsherkenning is.
18.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
Verklaringen van eiser over werkzaamheden
19. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte heeft tegengeworpen dat zijn verklaringen summier zijn en diepgang missen. Eiser heeft beknopt maar feitelijk en volledig geantwoord op de vragen van de gehoorambtenaar. Eiser had nergens uit kunnen opmaken dat de minister meer 'diepgang' van hem verwachtte tijdens de gehoren.
20. De rechtbank erkent dat eiser aan het begin van het nader gehoor af en toe is afgeremd [5] en dat hij de vragen die de minister heeft gesteld wel heeft beantwoord. De minister heeft echter naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat de verklaringen van eiser inhoudelijk te algemeen en weinig concreet zijn. De minister heeft bijvoorbeeld kunnen wijzen op de verklaringen van eiser over de verhoortechnieken die hij als inlichtingenofficier stelt te hebben gebruikt. Tijdens het gehoor heeft de minister hierover doorgevraagd. [6] De antwoorden van eiser zijn desondanks te algemeen gebleven. De rechtbank is met de minister van oordeel dat eiser hier als inlichtingenofficier meer in detail over had moeten kunnen verklaren.
20.1.
De beroepsgrond slaagt niet.
De afwijzing als kennelijk ongegrond
21. Tot slot voert eiser aan dat de minister de aanvraag niet heeft kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder c en e van de Vw 2000. Eiser vindt dat de minister in het bestreden besluit niet is ingegaan op zijn stelling dat het advies van Bureau Documenten (in dit geval) niet heeft te gelden als voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst en dat het document van de advocaat geen verklaring is in de zin van de e-grond, die moet worden geacht te zien op het relaas van de vreemdeling zelf tijdens de gehoren met de minister.
22. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eiser op zitting heeft verklaard dat hij geen beroepsgrond meer richt tegen de afwijzing op grond van artikel 30b, eerste lid, onder c van de Vw 2000.
22.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanvraag (ook) heeft kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder e van de Vw 2000. Eiser heeft kennelijk tegenstrijdig met informatie uit openbare bronnen verklaard over de datum waarop de informant is vermoord. Dit raakt de kern van zijn asielrelaas, namelijk dat eiser vreest dat hij de volgende is die vermoord zal worden. Verder is het advies van Bureau Documenten zelf weliswaar niet aan te merken als geverifieerde informatie over het land van herkomst, maar heeft de minister er wel van uit kunnen gaan dat het advies is gebaseerd op voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst.
22.2.
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

23. Gezien het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de problemen van eiser met de Turkse autoriteiten vanwege betrokkenheid bij een onderzoek namens de Turkse [afdeling] , niet geloofwaardig zijn. Ook heeft de minister de aanvraag kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond.
24. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
25. Nu de rechtbank op het beroep heeft beslist, bestaat er geen aanleiding om de gevraagde voorziening toe te wijzen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dan ook af.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.4143:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.4144:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. Carella, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Team Onderzoek en Expertise Land en Taal van de Immigratie- en Naturalisatiedienst.
4.Very Important Person.
5.Nader gehoor, pagina 3, 4, 6 en 7.
6.Nader gehoor, pagina 26.