Eiser, van Turkse nationaliteit, diende op 29 december 2025 een asielaanvraag in met het relaas dat hij vanwege zijn werkzaamheden bij de Turkse strijdkrachten en betrokkenheid bij een onderzoek naar witwassen door hoge Turkse functionarissen problemen ondervindt met de Turkse autoriteiten. De minister wees de aanvraag op 16 januari 2026 af als kennelijk ongegrond, stellende dat de problemen niet geloofwaardig zijn vanwege onvoldoende en tegenstrijdige bewijsstukken.
De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening op 20 april 2026, waarbij eiser niet aanwezig was. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende concrete aanknopingspunten had geleverd om het negatieve advies van Bureau Documenten over de authenticiteit van een antecedentenverklaring te betwisten. Ook werd de verklaring van de Turkse advocaat als onvoldoende bewijs beoordeeld.
Verder vond de rechtbank dat de minister terecht gebruik maakte van openbare bronnen om de geloofwaardigheid van het asielrelaas te toetsen en dat de minister de tegenstrijdigheden in de verklaringen van eiser over zijn vlucht en werkzaamheden terecht had gemotiveerd. De rechtbank concludeerde dat de minister de aanvraag terecht als kennelijk ongegrond kon afwijzen op grond van de Vreemdelingenwet 2000.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter M.B. de Boer.