De minister van Asiel en Migratie legde op 12 januari 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 20 januari 2026 via een beeldverbinding.
Eiser voerde aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel vanwege de lopende asielprocedure en zijn medische omstandigheden. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht heeft geoordeeld dat geen minder dwingende maatregel dan bewaring doeltreffend was, gezien het onttrekkingsrisico en de wettelijke grondslag. De medische situatie van eiser rechtvaardigde geen lichter middel, mede omdat de medische zorg in detentie gelijkwaardig is aan die in de vrije maatschappij.
De rechtbank vond geen aanleiding om ambtshalve tot een ander oordeel te komen en concludeerde dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden was voldaan. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.