Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:1448

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
NL26.1980
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vw 2000Art. 8 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring in asielprocedure

De minister van Asiel en Migratie legde op 12 januari 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 20 januari 2026 via een beeldverbinding.

Eiser voerde aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel vanwege de lopende asielprocedure en zijn medische omstandigheden. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht heeft geoordeeld dat geen minder dwingende maatregel dan bewaring doeltreffend was, gezien het onttrekkingsrisico en de wettelijke grondslag. De medische situatie van eiser rechtvaardigde geen lichter middel, mede omdat de medische zorg in detentie gelijkwaardig is aan die in de vrije maatschappij.

De rechtbank vond geen aanleiding om ambtshalve tot een ander oordeel te komen en concludeerde dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden was voldaan. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.1980

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. N. Birrou),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A.N. Sap).

Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
1. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, omdat er nog een asielprocedure loopt. Daarnaast wijst eiser op zijn medische omstandigheden. Hij wil hiervoor graag een dokter zien.
1.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, gelet op de niet bestreden gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De reden hiervoor is dat er voldoende gronden bestaan die de maatregel van bewaring te kunnen dragen, waardoor een onttrekkingsrisico kan worden aangenomen. Daarnaast is artikel 59b, eerste lid, onder a en b, van de Vw 2000 de juiste wettelijke grondslag om een vreemdeling die nog in een asielprocedure zit in bewaring te nemen. Op grond van deze bepaling kan een vreemdeling ook in bewaring worden gesteld in de situatie dat hij in afwachting is van de beslissing op zijn asielaanvraag en (daardoor) rechtmatig verblijf heeft [1] . Verder heeft de minister in de maatregel van bewaring voldoende toegelicht dat de medische situatie van eiser niet maakt dat aan hem een lichter middel opgelegd moet worden. Ten aanzien van de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra kan worden gesteld dat deze gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Hierbij is ook van belang dat eiser tijdens de zitting heeft aangegeven dat hij is onderzocht door een arts en dat hij medicijnen heeft gekregen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
2. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [2]

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8, onder f, van de Vw 2000.
2.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).