ECLI:NL:RBDHA:2026:1442

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
NL25.33179
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Y. Yeniay - Cenik
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 DublinverordeningArt. 27 DublinverordeningArt. 42 DublinverordeningArt. 64 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verlenging overdrachtstermijn aan Kroatië wegens onderduiken in Dublinprocedure

In deze bestuursrechtelijke zaak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om de overdrachtstermijn voor zijn overdracht aan Kroatië te verlengen. De minister stelde dat sprake was van onderduiken, wat een grond is voor verlenging van de overdrachtstermijn op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank stelt vast dat de oorspronkelijke overdrachtstermijn door een voorlopige voorziening was opgeschort en dat de termijn correct is berekend tot en met 15 juli 2025. De overdracht op 14 juli 2025 viel daarmee binnen de termijn. Eiser voerde aan dat hij zich niet doelbewust buiten bereik van de autoriteiten heeft gehouden, maar de rechtbank oordeelt dat hij voldoende was geïnformeerd over zijn verplichtingen en de geplande overdracht. Het feit dat eiser op de dag van overdracht niet op zijn kamer of op het COA-terrein aanwezig was, kwalificeert als onderduiken.

Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat het verzoek om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet Pro 2000 geen opschortende werking heeft op de Dublinprocedure. De minister heeft het verzoek afgewezen en de overdracht mocht doorgaan. Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard, waarmee de minister de verlenging van de overdrachtstermijn terecht heeft toegepast.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de rechtmatigheid van de verlenging van de overdrachtstermijn wegens onderduiken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.33179

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. C.E. Stassen-Buijs),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van de minister om de overdrachtstermijn voor de overdracht aan Kroatië te verlengen, omdat volgens de minister sprake is van onderduiken. Eiser is het niet eens met dit besluit en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlenging van de overdrachtstermijn.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van de minister om de overdrachtstermijn te verlengen in stand kan blijven. De minister heeft zich namelijk terecht op het standpunt gesteld dat sprake was van onderduiken. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 14 juli 2025 heeft de minister de overdrachtstermijn voor de overdracht van eiser aan Kroatië met 18 maanden verlengd op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. Volgens de minister was sprake van onderduiken.
2.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, inhoudende dat de geplande overdracht naar Kroatië niet door zal gaan en hij zijn beroep tegen de verlenging van de overdrachtstermijn in Nederland mag afwachten. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft op 16 september 2025 het verzoek afgewezen. [1]
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen, omdat hij op 24 september 2025 is overgedragen aan Kroatië. De gemachtigde van eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond
3. De minister heeft bij besluit van 17 september 2024 de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Bij uitspraak van
14 januari 2025 heeft deze rechtbank het daartegen door eiser ingestelde beroep ongegrond verklaard. [2] Eiser is vervolgens op 24 september 2025 overgedragen aan Kroatië.
Heeft eiser nog procesbelang bij de beoordeling van zijn beroep?
4. Eiser betoogt dat hij – ondanks de overdracht – nog procesbelang heeft, omdat volgens hem de overdracht aan Kroatië heeft plaatsgevonden nadat de overdrachtstermijn was verstreken. Eiser voert aan dat hij binnen vier weken na de uitspraak van de rechtbank teruggebracht moet worden naar Nederland.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat het procesbelang van eiser door de minister niet wordt betwist. De rechtbank neemt gelet op hetgeen eiser heeft aangevoerd procesbelang aan en beoordeelt het beroep tegen de verlenging van de overdrachtstermijn inhoudelijk.
Tot wanneer liep de oorspronkelijke uiterste overdrachtstermijn?
5. Eiser betoogt dat de oorspronkelijke uiterste overdrachtstermijn tót 14 juli 2025 liep en niet tot en met die datum. Volgens eiser viel de voorgenomen overdracht op 14 juli 2025 daarom buiten de overdrachtstermijn. Overdracht was op die dag dus niet langer mogelijk.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening de overdracht binnen zes maanden vanaf de aanvaarding van het claimverzoek moet plaatsvinden. In het geval van eiser werd de overdrachtstermijn opgeschort door de toewijzing van de voorlopige voorziening, waarin de voorzieningenrechter besloot dat de overdracht van eiser achterwege zou blijven totdat op het beroep was beslist. [3] Op grond van artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening werd de overdrachtstermijn daarmee opgeschort. Vervolgens is het beroep van eiser bij uitspraak van 14 januari 2025 [4] ongegrond verklaard, waardoor de overdrachtstermijn vanaf dat moment is aangevangen. Eiser heeft dit ook niet betwist. De rechtbank stelt verder vast dat uit artikel 42, onder a, van de Dublinverordening volgt dat wanneer een in dagen, weken of maanden omschreven termijn ingaat op het ogenblik waarop een gebeurtenis of handeling plaatsvindt, de dag waarop deze gebeurtenis of handeling plaatsvindt, niet bij de termijn wordt inbegrepen. Uit datzelfde artikel, onder b, volgt dat een in weken of maanden omschreven termijn afloopt bij het einde van de dag die, in de laatste week of maand, dezelfde naam of dezelfde cijferaanduiding heeft als de dag waarop de gebeurtenis of de handeling plaatsvindt die de termijn doet ingaan. Dat betekent in dit geval dat de termijn begon te lopen op 15 januari 2025 en liep tot en met 15 juli 2025. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat de overdrachtstermijn op 14 juli 2025 nog niet was verstreken. De beroepsgrond slaagt derhalve niet.
Mocht de minister de overdrachtstermijn verlengen vanwege onderduiken?
6. Eiser betoogt dat de minister de overdrachtstermijn ten onrechte heeft verlengd op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening, omdat er geen sprake is van onderduiken. Eiser voert aan dat hij zich niet doelbewust buiten het bereik van de autoriteiten heeft gehouden om de overdracht te voorkomen. Hij verbleef namelijk in het asielzoekerscentrum en heeft zich aan zijn meldplicht gehouden. Hij voert aan dat hij nooit langer dan één of twee dagen uit het zicht van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) is geweest. Volgens eiser heeft de minister hem niet heeft medegedeeld dat hij op
14 juli 2025 zou worden overgedragen of ergens had moeten zijn. Eiser heeft daarom die dag zijn kamer verlaten voor een doktersbezoek. Eiser voert aan dat hij via WhatsApp brieven van artsen heeft overgelegd waarin die afspraak vermeld staat. Volgens eiser heeft de minister op geen enkele wijze onderbouwd op welke grond hij meent dat eiser is ondergedoken en eiser verwijst naar een uitspraak van deze rechtbank. [5]
6.1.
Het Hof van Justitie heeft in het arrest Jawo het begrip ‘onderduiken’ zoals bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening, uitgelegd. [6] Van onderduiken is sprake wanneer de vreemdeling doelbewust ervoor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht om de overdracht te voorkomen. Dat is het geval wanneer die overdracht niet kan worden uitgevoerd, omdat de vreemdeling de hem toegekende woonplaats heeft verlaten zonder de bevoegde autoriteiten van zijn afwezigheid op de hoogte te brengen, op voorwaarde dat hij werd geïnformeerd over zijn verplichtingen. Hierbij is ook van belang dat de vreemdeling in kennis wordt gesteld van zijn verplichting om mee te werken aan de overdracht en moet hij geïnformeerd worden over de gevolgen van het niet meewerken hieraan. [7]
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat de overdrachtstermijn op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening verlengd mocht worden, omdat sprake was van onderduiken. Allereerst stelt de rechtbank vast dat eiser op grond van het M35-H formulier en tijdens het vertrekgesprek op 30 januari 2025 is gewezen op zijn verplichtingen en dat hij zich tijdens de procedure en tot een eventueel vertrek beschikbaar moet houden. Ook is hij gewezen op de mogelijke gevolgen als hij zich niet aan die verplichtingen zou houden. Verder wijst de minister terecht op de WhatsApp-berichten die op 8 juli 2025 naar eiser zijn verstuurd, waarin de vluchtgegevens voor de overdracht op 14 juli 2025 werden gedeeld. Eiser heeft deze berichten ontvangen, gelezen en beantwoord. Daarnaast wijst de minister terecht op het vertrekgesprek van 9 juli 2025, waarin naar de WhatsApp-berichten werd verwezen en de vluchtgegevens van 14 juli 2025 nogmaals werden gedeeld. Uit het formulier ‘tijdelijk buiten bereik autoriteiten in de zin van de Dublinverordening’ blijkt vervolgens dat eiser op 14 juli 2025 niet is verschenen op de afgesproken ophaaltijd voor de overdracht, dat hij niet op zijn kamer zat en nergens anders op het COa-terrein aanwezig was. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser voldoende is geïnformeerd over zijn verplichtingen om zich tot aan zijn vertrek beschikbaar te houden én over de geplande overdracht van 14 juli 2025. De rechtbank is voorts van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de omstandigheid dat eiser op 14 juli 2025 niet in en rondom zijn kamer in het AZC was door de minister mag worden aangemerkt als ‘onderduiken’. De verklaring van eiser via WhatsApp, waarin hij aangeeft een medische afspraak te hebben, is niet met stukken onderbouwd. Eiser heeft weliswaar op de WhatsApp-berichten gereageerd met een document wat afkomstig lijkt te zijn van Kleur GGZ, maar de inhoud daarvan is onbekend en eiser heeft het document ook niet overgelegd. Volgens de rechtbank heeft eiser dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij een doktersafspraak had op 14 juli 2025 en dat hij dit heeft gemeld aan de autoriteiten. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het verzoek om uitstel van vertrek invloed op de rechtmatigheid van de verlenging van de overdrachtstermijn?
7. Eiser voert aan dat hij naast deze procedure ook een verzoek om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) heeft ingediend, omdat hij grote medische problemen heeft. Eiser voert aan dat hij trauma’s heeft opgelopen in Kroatië. Ook in het kader van die procedure is eiser niet geïnformeerd over de datum van de geplande overdracht.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat het verzoek om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw 2000 los staat van de Dublinprocedure. Het indienen van deze aanvraag schort een overdracht op grond van de Dublinverordening niet op, tenzij de minister daarmee akkoord gaat of de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treft. Dat is hier niet het geval. Verder wijst de minister er terecht op dat op 2 september 2025 op dit verzoek is beslist en de aanvraag voor uitstel van vertrek is afgewezen. Daarmee staat vast dat de minister terecht geen belemmering heeft aangenomen om de overdracht te realiseren. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek om toepassing van artikel 64 van Pro de Vw 2000 geen invloed heeft gehad op de rechtmatigheid van de overdrachtstermijn of de verlenging daarvan. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en de minister de overdrachtstermijn mocht verlengen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, 16 september 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:5285.
2.Rechtbank Den Haag, zp. Arnhem, 14 januari 2025 (niet gepubliceerd); zie dossierstuk 62.
3.Rechtbank Den Haag, zp. Arnhem, 7 oktober 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:7241.
4.Zie voetnoot 1.
5.Rechtbank Den Haag, zp. Arnhem, 3 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12116.
6.HvJEU 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218 (arrest Jawo).
7.Dit volgt uit paragraaf C1/2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).