Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14414

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
31 mei 2026
Zaaknummer
C/09/692454 / JE RK 25-1694
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWBesluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarigen wegens aanhoudende zorgen en moeizame samenwerking ouders

De rechtbank Den Haag heeft op 30 april 2026 besloten de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen te verlengen tot 14 november 2026. De gecertificeerde instelling had verzocht om verlenging vanwege onvoldoende vooruitgang in de hulpverlening en aanhoudende zorgen over het welzijn van de kinderen.

De ouders zijn ontevreden over de uitvoering van de ondertoezichtstelling en de communicatie met de gecertificeerde instelling. De moeder meldt dat de jongste minderjarige na omgang met de vader klachten zoals hoofdpijn en overgeven vertoont, terwijl de vader de omgang als positief ervaart. De gecertificeerde instelling heeft een plan opgesteld om de omgang gefaseerd uit te breiden en beter te monitoren.

De kinderrechter constateert dat de hulpverlening niet volledig is gerealiseerd en dat er opnieuw een wisseling van jeugdbeschermer zal plaatsvinden, wat de continuïteit bemoeilijkt. De rechter benadrukt het belang van een bestendige uitvoering en vraagt de gecertificeerde instelling om proactief te zoeken naar alternatieven en het welzijn van de kinderen nauwgezet te volgen.

De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het gerechtshof Den Haag. De ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarigen wordt verlengd tot 14 november 2026 en de beschikking is direct uitvoerbaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/692454 / JE RK 25-1694
Datum uitspraak: 30 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van:
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 29 oktober 2025 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verlengd tot 14 mei 2026, en het verzoek voor het overige aangehouden.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 29 oktober 2025 en de daarin genoemde stukken;
  • het plan van aanpak van de gecertificeerde instelling van 7 april 2026;
  • de schriftelijke update van de gecertificeerde instelling van 7 april 2026.
1.3.
Op 30 april 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
1.4.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben hier geen gebruik van gemaakt.

2.De feiten

Bij beschikking van 18 maart 2026 heeft de kinderrechter een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bepaald. Deze houdt in dat de vader om de week contact heeft met [de minderjarige 2] onder begeleiding van Coach’em up. Dit vindt plaats bij de vader thuis, gedurende vier uur op zowel zaterdag als zondag. In het andere weekend is er tussen hen op zaterdag een telefonisch contactmoment. Voor een overzicht van de overige feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 29 oktober 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling handhaaft het aangehouden deel van het verzoek dat strekt tot het verlengen van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voor de resterende de duur van zes maanden. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek – bij schriftelijke update – als volgt gemotiveerd. De jeugdbeschermers hebben zich in de afgelopen periode actief ingezet om de samenwerking met beide ouders vorm te geven. Met de moeder hebben meerdere multidisciplinaire overleggen (MDO’s) plaatsgevonden, terwijl met de vader één MDO is gehouden. De jeugdbeschermers hebben het oude plan van aanpak aangevuld en gewijzigd, maar zowel de vader als de moeder waren niet tevreden over dit plan. Zo gaf de moeder aan dat er – nog steeds - onjuiste informatie in staat en de vader vindt dat concrete doelen ontbreken. Vanwege de moeizame samenwerking heeft de gecertificeerde instelling contact opgenomen met andere gecertificeerde instellingen met het verzoek de uitvoering van de ondertoezichtstelling over te nemen. Dit verzoek is echter afgewezen wegens onvoldoende capaciteit. In oktober en november 2025 hebben beide ouders hun wantrouwen uitgesproken richting de organisatie die de begeleide omgang faciliteerde (Kroost+). Dit heeft ertoe geleid dat er gedurende geruime tijd geen omgang tussen de vader en [de minderjarige 2] is geweest. Per 21 maart 2026 is de omgang opgestart via de nieuwe hulpverleningsorganisatie, Coach’em up. De jeugdbeschermers hebben [de minderjarige 1] slechts éénmaal gezien en gesproken. Tijdens dit gesprek hebben zij kennisgemaakt en aangegeven dat zij haar minimaal eens per drie maanden willen zien en spreken. [de minderjarige 1] gaf aan hier geen behoefte aan te hebben. [de minderjarige 2] is in totaal twee keer gezien en gesproken door de jeugdbeschermers.
Tijdens de zitting heeft de gecertificeerde instelling nog het volgende naar voren gebracht. Op 16 april 2026 heeft er een MDO met de moeder plaatsgevonden, waarbij zij heeft aangegeven dat de zorgen over [de minderjarige 2] zijn toegenomen nadat de omgang met de vader is opgestart. Zo heeft [de minderjarige 2] een voller hoofd, heeft zij vaker last van hoofdpijn en moet zij vaker overgeven. Er zijn doelen opgesteld over het respecteren van de grenzen van [de minderjarige 2] , en hoewel de vader daar rekening mee houdt (bijvoorbeeld door [de minderjarige 2] alleen te knuffelen als zij daar toestemming voor geeft) vertoont [de minderjarige 2] klachten na de omgang. Deze klachten worden niet waargenomen door de omgangsbegeleiding. Tijdens het MDO is het plan besproken om de omgangsbegeleider na afloop van de omgang langer aanwezig te laten blijven en ook bij de moeder thuis te laten meekijken, zodat het gedrag dat [de minderjarige 2] na de omgang vertoont, geobserveerd kan worden. Hiervoor moet een indicatie worden afgegeven door Delft Support. Het is verder de bedoeling dat er gewerkt wordt aan uitbreiding in vier fases, waarbij de eerste fase twee keer vier uur omgang is, de tweede fase is één omgang extra op de zaterdag of zondag, de derde fase bestaat uit deels begeleide en deels onbegeleide omgang (zodat het gedrag van [de minderjarige 2] geobserveerd kan worden), en de vierde fase is geheel onbegeleid. Het tempo en belang van [de minderjarige 2] is daarbij leidend.

4.De standpunten

4.1.
De moeder uit haar onvrede over de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling komt haar toezeggingen niet na, heeft de administratie niet op orde en beschikt over onvoldoende kennis van de problematiek van [de minderjarige 2] . Ondanks dat de moeder de gecertificeerde instelling herhaaldelijk heeft verzocht om informatie in te winnen bij betrokken professionals, wordt van deze expertise geen gebruik gemaakt. De moeder meent dat al met al is verslechterd. De wijziging van de omgang heeft nadelige gevolgen voor [de minderjarige 2] . Zo heeft zij na afloop van vier omgangsmomenten klachten gehad waaronder, ernstige hoofdpijn, misselijkheid en heeft zij moeten overgeven. Tijdens de meest recente omgangsweekend waren de klachten minder ernstig, maar had zij nog steeds last van hoofdpijn, was zij overprikkeld en heeft zij de rest van de dag in bed doorgebracht. Daarnaast vertoont [de minderjarige 2] ook buiten de omgangsmomenten duidelijke signalen van stress en overbelasting en geeft zij aan dat zij zich niet goed voelt. Ondanks dat de jeugdbeschermers hiervan op de hoogte zijn, wordt er onvoldoende actie ondernomen. Onlangs is door de gecertificeerde instelling aangekondigd dat wederom twee nieuwe jeugdbeschermer betrokken zullen worden. Volgens de moeder komt de wisseling van de jeugdbeschermers de continuïteit en kwaliteit van de begeleiding niet ten goede. Tijdens de vorige zitting heeft de moeder verzocht om inzet van een andere gecertificeerde instelling. De moeder twijfelt op dit moment echter over wat in dit opzichte het meest in het belang van [de minderjarige 2] is. Enerzijds heeft zij geen vertrouwen meer in de gecertificeerde instelling, maar anderzijds vreest zij dat bij een overdracht naar een andere gecertificeerde instelling, belangrijke informatie die niet goed is vastgelegd verloren zal gaan. Volgens de moeder leidt de huidige uitvoering van de ondertoezichtstelling tot aanzienlijke frustratie en zorgen. Voor de invulling van de uitvoering van de ondertoezichtstelling wil de moeder dat de gecertificeerde instelling de komende zes maanden kritisch gaat kijken naar de omgang en het welzijn van [de minderjarige 2] . Tot slot vindt de moeder het erg kwalijk dat door er de gecertificeerde instelling niet meer wordt gevraagd naar [de minderjarige 1] , terwijl er ook nog steeds zorgen zijn over haar.
4.2
De vader schrikt ervan te horen dat [de minderjarige 2] na de omgangsmomenten gestrest thuiskomt en klachten ervaart. Volgens hem verloopt de omgang positief.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De kinderrechter constateert dat de toezeggingen, die bij de vorige zitting door de huidige jeugdbeschermers zijn gedaan, niet (volledig) zijn nagekomen in afgelopen maanden. Zo is passende hulpverlening, waaronder individuele begeleiding voor [de minderjarige 2] , opvoedondersteuning bij de moeder en hulpverlening voor de ouders, gericht op verbetering van hun communicatie, niet van de grond gekomen. Hierdoor is nog steeds minimale vooruitgang geboekt binnen de ondertoezichtstelling. Dit is niet wat – gelet ook op wat op de vorige zitting is besproken – verwacht mocht worden van de uitvoering van de maatregel.
Daarbij is ter zitting ook gebleken dat er – door privé omstandigheden van een van de jeugdbeschermers - opnieuw een wisseling van jeugdbeschermers zal komen. Het is onder die omstandigheden goed voorstelbaar dat het kweken van een vertrouwensband met de ouders heel erg moeilijk wordt. Van de ouders wordt dan wel erg veel flexibiliteit en goede wil gevraagd, maar het is de professionele plicht van de gecertificeerde instelling om voor een bestendige uitvoering van de maatregel te zorgen. Van de andere kant wordt benadrukt dat de ouders moeten blijven proberen om zich op de hoofdzaken te concentreren en hun energie te blijven steken in de kinderen en niet alleen of voornamelijk in hun frustratie over en klachten tegen de gecertificeerde instelling, hoe invoelbaar dat ook is.
Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken gebleken dat de zorgen over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] helaas nog onverminderd aanwezig. Daarbij zijn er signalen dat de zorgen over [de minderjarige 2] in de afgelopen periode zijn toegenomen. Volgens de moeder ervaart [de minderjarige 2] erg veel spanning na de omgangsmomenten met de vader, terwijl de omgang positief met de vader op zichzelf positief verloopt. Op dit moment is het onduidelijk waar de spanning van [de minderjarige 2] vandaan komt. Het is dus niet gebleken dat – ook al manifesteren haar klachten zich volgens de moeder na de omgangsmomenten – de klachten het gevolg zijn van de (positief verlopende) omgang. Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling toegelicht dat in de komende periode de omgang tussen [de minderjarige 2] en de vader nader bekeken zal worden waarbij er aandacht zal komen voor de terugkeermomenten bij de moeder. De gecertificeerde instelling heeft aangegeven dat hiervoor een uitbreiding van de indicatie moet worden gevraagd, omdat daarvoor meer omgangsuren gefinancierd moeten worden. De kinderrechter is van oordeel dat dat een juiste weg lijkt om de omgang en de ontwikkeling van [de minderjarige 2] goed te volgen. Daarbij geeft de kinderrechter de gecertificeerde instelling ook mee om te kijken naar alternatieven, indien er geen indicatie wordt gegeven voor deze extra uren. De gecertificeerde instelling heeft toestemming van de vader voor het inwinnen van informatie bij anderen gekregen en de kinderrechter verwacht dat de gecertificeerde instelling actief op zoek gaat naar zo veel mogelijk informatie om het welzijn van [de minderjarige 2] te kunnen verbeteren, zoals door de moeder is verzocht. De gecertificeerde instelling heeft ter zitting toegezegd dat te zullen doen. Voor wat betreft [de minderjarige 1] , zal de gecertificeerde instelling zich moeten blijven inspannen om met haar in gesprek te komen. Als [de minderjarige 1] dat echter blijft weigeren, is het ook de vraag wat dan nog van de gecertificeerde instelling kan worden verwacht. [de minderjarige 1] zal moeten worden aangemoedigd, ook door de ouders, om het contact met de jeugdbeschermers toe te laten. Tot slot vraag de kinderrechter aan de gecertificeerde instelling om, gelet op het beschadigde vertrouwen van de ouders en de huidige situatie, de komende maanden pro-actief en voortvarend te onderzoeken of de ondertoezichtstelling (bijvoorbeeld ten aanzien van [de minderjarige 1] ) nog toegevoegde waarde heeft, naar alternatieven te zoeken en na te gaan wat er nodig is om tot verbetering van de situatie te kunnen komen.
5.3.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verlengen voor de resterende duur van zes maanden.
5.4.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [2]
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] tot 14 november 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026 door mr. A.M.A. Keulen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Veiga als griffier, en op schrift gesteld op 22 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.