De rechtbank Den Haag heeft op 30 april 2026 besloten de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen te verlengen tot 14 november 2026. De gecertificeerde instelling had verzocht om verlenging vanwege onvoldoende vooruitgang in de hulpverlening en aanhoudende zorgen over het welzijn van de kinderen.
De ouders zijn ontevreden over de uitvoering van de ondertoezichtstelling en de communicatie met de gecertificeerde instelling. De moeder meldt dat de jongste minderjarige na omgang met de vader klachten zoals hoofdpijn en overgeven vertoont, terwijl de vader de omgang als positief ervaart. De gecertificeerde instelling heeft een plan opgesteld om de omgang gefaseerd uit te breiden en beter te monitoren.
De kinderrechter constateert dat de hulpverlening niet volledig is gerealiseerd en dat er opnieuw een wisseling van jeugdbeschermer zal plaatsvinden, wat de continuïteit bemoeilijkt. De rechter benadrukt het belang van een bestendige uitvoering en vraagt de gecertificeerde instelling om proactief te zoeken naar alternatieven en het welzijn van de kinderen nauwgezet te volgen.
De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het gerechtshof Den Haag. De ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.