ECLI:NL:RBDHA:2026:14384

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
31 mei 2026
Zaaknummer
C/09/703913 / JE RK 26-692
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van één kind toegekend, verzoek voor overige kinderen afgewezen

De gecertificeerde instelling (GI) verzocht op 23 april 2026 spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van vier minderjarige kinderen wegens ernstige zorgen over verzorging, veiligheid en opvoeding. De kinderrechter wees het verzoek aanvankelijk af en hield de zaak aan tot de zitting op 30 april 2026.

Tijdens de zitting werden de feiten besproken, waaronder rapportages van hulpverleners die zorgen uitten over hygiëne, toezicht en emotionele verzorging, vooral bij de jongste kinderen. De GI stelde dat alle kinderen uit huis geplaatst moesten worden in een gezinsgerichte voorziening, maar erkende dat een plek pas binnen 5 tot 7 maanden beschikbaar zou zijn.

De moeder en vader voerden verweer tegen uithuisplaatsing van alle kinderen en stelden dat alleen het kind met de meest complexe zorgvraag (de minderjarige 2) uit huis geplaatst moest worden. De kinderrechter oordeelde dat alleen voor deze minderjarige een machtiging noodzakelijk was, omdat de overige kinderen onvoldoende gronden voor uithuisplaatsing boden en het doel van gezinsopname juist is om het gezin bij elkaar te houden.

De kinderrechter verleende daarom een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige 2 voor drie maanden, met onmiddellijke ingang en uitvoerbaar bij voorraad. Het verzoek voor de andere kinderen werd afgewezen. De beslissing is op 30 april 2026 uitgesproken en op 22 mei 2026 schriftelijk vastgelegd.

Uitkomst: Machtiging tot uithuisplaatsing van één kind toegekend, verzoek voor overige kinderen afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/703913 / JE RK 26-692
Datum uitspraak: 30 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 2] ,
[de minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 3] ,
[de minderjarige 4], geboren op [geboortedatum 4] 2026 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 4] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. M.S. Polat uit Rijswijk.
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Op 23 april 2026 heeft de GI de kinderrechter verzocht bij wijze van spoedvoorziening een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van drie maanden en die beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
1.2.
Bij beschikking van 23 april 2026 heeft de kinderrechter op voormeld verzoek de machtiging tot uithuisplaatsing bij wijze van spoedvoorziening te verlenen afwijzend beslist en bepaald dat het verzoek wordt aangehouden tot de zitting van 30 april 2026.
1.3.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • voormelde beschikking van 23 april 2026;
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 april 2026;
  • de door de GI nagezonden bijlagen, ontvangen op 30 april 2026;
  • de van de zijde van de moeder overgelegde stukken, ontvangen op 29 april 2026 en op 30 april 2026.
1.4.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder, bijgestaan door advocaat mr. H. Polat, waarnemend voor haar advocaat mr. M.S. Polat;
- vertegenwoordiger van de GI jeugdbeschermer [naam 1] , vergezeld van haar collega jeugdbeschermer [naam 2] .
1.5.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] in een kindgesprek op 29 april 2026 naar zijn mening gevraagd. Hij heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Voor een weergave van de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 23 april 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Daartoe brengt de GI– samengevat – het volgende naar voren: Op 1 april 2026 rapporteert Voorkoming Uithuisplaatsing (VUHP) Ons Verbind zorgen. De hulpverleners van VUHP zien dat de basisvoorwaarden rondom persoonlijke verzorging en hygiëne van de leefomgeving onvoldoende geborgd zijn. Zij zien ook dat de manier van belonen en begrenzen van de kinderen niet altijd aansluit bij de ontwikkelingsfase van de kinderen.
De grootste zorg richt zich op de fysieke en emotionele verzorging van de jongste, [de minderjarige 4] . Gezien is dat zij door moeder wordt vastgegrepen aan de kleding (en een keer bij haar arm) waarbij onvoldoende ondersteuning van het hoofdje wordt geboden. Naar aanleiding van deze zorgen is de inzet van Ons Verbind verhoogd om verdere onveiligheid te voorkomen. Op 22 april rapporteert Ons Verbind opnieuw zorgen. Er is grote onrust en spanning bij [de minderjarige 2] en er is onveiligheid voor [de minderjarige 4] . Ouders laten toe dat [de minderjarige 2] op de bank springt waar [de minderjarige 4] los op ligt, rondrent met [de minderjarige 4] in de armen en rondloopt met [de minderjarige 4] los in de kinderwagen. Ons Verbind bemerkt dat de aanwezigheid van de pedagogisch medewerkers moeder veel spanning geeft. De moeder kan de feed-back van de pedagogisch medewerkers niet altijd horen. De pedagogisch medewerkers kunnen dan niet goed op de situatie inspringen. Ons Verbind observeert ten slotte ook dat er spanning ontstaat tussen de ouders onderling.
3.3.
De GI vindt het noodzakelijk om alle kinderen uit huis te plaatsen op een veilige en neutrale plek in de tussenliggende periode naar een gezinsopname. De kinderen blijven samen; zij kunnen met elkaar worden geplaatst in een gezinshuis, met extra ondersteuning voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] (die door kindeigen problematiek een bovengemiddelde opvoedbehoefte hebben) en expertise in responsief en sensitief opvoeden van kleine kinderen (met name van belang voor [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] ). Drie van de vier gezinshuizen met beschikbaarheid binnen vijf tot zeven maanden zien de eigen problematiek van de ouders als contra-indicatie voor opname. Het gezin is aangemeld voor een gezinsopname bij het enige gezinshuis waar de eigen problematiek van de ouders geen contra-indicatie voor opname vormt. Dit gezinshuis heeft naar verwachting binnen 5 tot 7 maanden een plek voor hen beschikbaar.
3.4.
De zorgen om [de minderjarige 4] en [de minderjarige 3] zijn het meest acuut, vooral voor [de minderjarige 4] . [de minderjarige 4] kan zichzelf niet veiligstellen en de ouders houden onvoldoende toezicht op haar veiligheid (waardoor het kan gebeuren dat zij zonder toezicht op de bank of op het kleed ligt en haar oudere broers springen op de bank, en met haar rennen of iets anders onveiligs doen vanuit speels gedrag). [de minderjarige 3] kan zichzelf iets meer redden dan haar jongere zusje, maar heeft ook structurele aandacht van haar ouders nodig (in luiers verschonen, in eten en in het ontvangen van aandacht en liefde).
3.5.
De zorgen om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] lijken meer op langdurige zorgen. Echter, bij een uithuisplaatsing van [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] alleen, maakt de GI zich grote zorgen over de psychische gesteldheid van ouders. De draagkracht van de moeder wordt als laag gezien.
De zorg is dat haar emotionele beschikbaarheid voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] afneemt en zij aan hun lot worden overgelaten. De zorg is ook dat er spanning en escalatie ontstaat tussen ouders en de vader de woning ontvlucht, zoals in het verleden al eens is gebeurd.
3.6.
[de minderjarige 2] heeft van alle de kinderen veruit de meest complexe zorgvraag. Hij heeft een opvoedomgeving nodig waarin hij krijgt wat hij nodig heeft, zich emotioneel veilig voelt en waarbij hij geen gevaar is voor zichzelf en de anderen kinderen. De GI vindt een uithuisplaatsing van uitsluitend [de minderjarige 2] , niet in lijn met het uitgangspunt dat hij moet worden ontschuldigd voor de onveiligheid in het gezin. Een uithuisplaatsing van alleen [de minderjarige 2] verzwaart het takenpakket van de ouders. Naast de dagelijkse inzet van Ons Verbind, moeten de ouders dan ook aan de slag met de inzet en het regelen van de hulp voor [de minderjarige 2] en zich inzetten voor de begeleide bezoeken met [de minderjarige 2] . Het is goed als de moeder in de aanloop naar de gezinsopname een traumabehandeling ondergaat. Een uithuisplaatsing van alle kinderen schept ook hier de nodige rust en ruimte voor. De GI handhaaft daarom het verzoek om een machtiging [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] in een gezinsgerichte voorziening uit huis te plaatsen.

4.De standpunten

4.1.
De moeder voert verweer. Zij vraagt de kinderrechter primair om het verzoek af te wijzen, en subsidiair om alleen voor [de minderjarige 2] een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen. Het uithuisplaatsen van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] is de ultieme maatregel om hun veiligheid te waarborgen, maar disproportioneel in zijn effect. Een uithuisplaatsing brengt de kinderen enorme emotionele schade toe en brengt schade toe aan verstoort de hechtingsontwikkeling van [de minderjarige 4] . De zorgen zijn niet voor alle kinderen in gelijke mate aanwezig en er zijn ook positieve ontwikkelingen in het gezin zichtbaar. Het zet de kinderen en de ouders ook op achterstand in de gezinsopname als zij in de aanloop daarnaartoe maandenlang van elkaar gescheiden worden. [de minderjarige 2] laat momenteel forse gedragsproblemen zien. Hij heeft extra zorg en ondersteuning nodig. In de huidige situatie kunnen de ouders hem hierin niet helemaal bieden wat hij nodig heeft. Uitwijken naar verblijf van [de minderjarige 2] bij de vader en grootvader is niet realistisch; de ouders vormen een gezin, zij gaan deze zomer trouwen en de grootvader van [de minderjarige 2] heeft een herseninfarct gehad. [de minderjarige 2] heeft baat bij gespecialiseerde hulp die ook de mogelijkheden van de vader en grootvader overstijgt en en staat daar nu voor op de wachtlijst. Een uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] helpt [de minderjarige 2] naar stabilisatie en draagt bij aan de veiligheid en stabiliteit in het gezin. De moeder beschikt over voldoende leerbaarheid om de tips en adviezen in de opvoeding en verzorging van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] op te volgen. De inzet van Ons Verbind heeft immers al verbetering gegeven. De moeder houdt goed aan de tips en verbeteringen vast. [de minderjarige 4] en [de minderjarige 2] worden niet meer alleen gelaten en [de minderjarige 4] ligt niet meer los in haar bedje, maar slaapt in de co-sleeper. De moeder werkt ook aan haar eigen problematiek; zij heeft zich aangemeld voor een digitaal traumabehandeltraject. De inzet van Ons Verbind voor maar liefst 12 uur per dag komt daar nog eens bij, maar gaat de belastbaarheid van de moeder niet te boven. De moeder staat niet afwijzend tegenover een eventuele gezinsopname. Wel wenst de moeder nadere informatie over wat een gezinsopname inhoudt, voordat zij zich daar aan kan committeren.
4.2.
De vader schaart zich achter het door de moeder gevoerde verweer. De vader benoemt daarbij dat hij het opmerkelijk vindt dat Ons Verbind richting ouders zich overwegend positief over het verloop van de hulpverlening uitlaat en richting de GI de focus legt op zorgelijke factoren.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] , noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding [1] en dat de gronden voor een uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] niet althans onvoldoende aanwezig zijn. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Er zijn al langere tijd zorgen over de basale hygiëne, de veiligheid, de verzorging, opvoedvaardigen en de balans tussen draagkracht en draaglast binnen dit gezin. De ouders ontvangen inmiddels doordeweeks 12 uur pedagogische ondersteuning per dag en in het weekend 3 uur per dag. Dit alles naast de twee huisbezoeken per week van de vaste ambulant hulpverleners in het gezin. Ondanks de inzet van deze hulp blijven de zorgen onverkort aanwezig. De basale hygiëne en verzorging van de kinderen blijft een punt van aandacht en daarnaast lijken de ouders de risicovolle situaties voor [de minderjarige 4] (zij is 3 maanden oud) onvoldoende te kunnen inschatten en hier ook niet op te acteren. Zo kan het gebeuren dat [de minderjarige 2] in zijn enthousiasme [de minderjarige 4] oppakt en met haar rondrent, hij achter de kinderwagen loopt met [de minderjarige 4] er los in, [de minderjarige 4] los op de bank ligt en omhoog komt als [de minderjarige 2] op de bank springt. De jeugdbeschermer vindt een gezinsopname voor het hele gezin nodig. Het doel van zo’n gezinsopname is het creëren van een stabiele en veilige gezinssituatie waarbij de ouders en de kinderen bij elkaar wonen en waarbij gewerkt wordt aan de opvoedvaardigen van de ouders met het doel dat de ouders op enig moment zelfstandig de kinderen een gezonde opvoedomgeving kunnen bieden. Gelet op de forse zorgen is dit voor dit gezin zeer noodzakelijk.
Een uithuisplaatsing van alle kinderen op dit moment strookt niet met het doel dat met een gezinsopname wordt nagestreefd, namelijk om de ouders opvoedvaardigheden te leren zodat zij als gezin bij elkaar kunnen blijven. De kinderrechter zal daarom niet overgaan tot uithuisplaatsing van alle kinderen. De ouders moeten in beginsel nog een kans krijgen te laten zien dat zij zelf voor de kinderen kunnen zorgen.
5.3.
De wachttijd voor een gezinsopname is 5 tot 7 maanden. De kinderrechter staat voor de vraag hoe de veiligheid van de kinderen en die van [de minderjarige 4] in het bijzonder, voldoende gewaarborgd kan blijven in de tussentijd. De kinderrechter stelt vast dat [de minderjarige 2] en de vader een tijd lang niet samen in het gezin hebben gewoond. Vader en moeder waren toen uit elkaar en [de minderjarige 2] woonde bij vader, opa en een tante. Pas sinds kort wonen [de minderjarige 2] en vader weer bij moeder en de anderen thuis en daarnaast is in januari jl. [de minderjarige 4] geboren. Er is zodoende veel veranderd in korte tijd. [de minderjarige 2] heeft een grotere ondersteuning en opvoedbehoeften dan de andere kinderen door zijn kindeigen problematiek. Er zijn spanningen tussen de ouders die van invloed lijken op het gedrag van [de minderjarige 2] en het onvermogen van de ouders om te zorgen voor de veiligheid van [de minderjarige 4] zorgt voor acute risicovolle situaties. De kinderrechter is van oordeel dat de ouders [de minderjarige 2] op dit moment niet de zorg en aandacht kunnen bieden die hij nodig heeft naast de zorg voor de andere kinderen waarmee zij ook veel moeite hebben. Daarom is een uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] noodzakelijk voor de duur als verzocht.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 30 april 2026 tot 30 juli 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst af het verzoek machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] .
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026 door mr. H.M. Boone, kinderrechter, in aanwezigheid van B.M. Muller Santana de Andrade als griffier, en op schrift gesteld op 22 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.