ECLI:NL:RBDHA:2026:14361

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
31 mei 2026
Zaaknummer
C/09/703886 / JE RK 26-686
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing wegens onvoldoende stabiele opvoedomgeving moeder

De rechtbank Den Haag behandelde op 30 april 2026 een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De moeder biedt onvoldoende een stabiele opvoedomgeving; het kind verbleef in een ernstig vervuilde woning en ontbrak het aan schoolgang en medische zorg. De Raad en de gecertificeerde instelling uitten ernstige zorgen over de ontwikkeling van het kind en de opvoedcapaciteiten van de moeder.

De moeder betwistte de beschuldigingen, gaf aan bereid te zijn tot medewerking en stelde dat het kind zo snel mogelijk bij haar terug moest komen, bij voorkeur met ambulante spoedhulp. De kinderrechter oordeelde dat aan de voorwaarden voor ondertoezichtstelling was voldaan en dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk was in het belang van de verzorging en opvoeding.

De beschikking stelt het kind onder toezicht voor de duur van een jaar en verleent de machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening voor vier maanden, met onmiddellijke ingang. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De kinderrechter verleent de machtiging tot uithuisplaatsing voor vier maanden en stelt de minderjarige onder toezicht voor een jaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/703886 / JE RK 26-686
Datum uitspraak: 30 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Raad voor de Kinderbeschermingte Den Haag,
hierna te noemen de Raad,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. W.G. Nieman uit Leiden.
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen: de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende door de Raad overgelegd stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 22 april 2026;
  • het raadsrapport van 28 april 2026.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende door de moeder overgelegde stukken mee in de beoordeling:
- een update van de advocaat van 29 april 2026 en een e-mailbericht van de advocaat aan de Raad en de GI van 29 april 2026.
1.3.
Het door de Raad nagezonden gespreksverslag met vader is niet tijdig voor de zitting ter kennisname van de kinderrechter gebracht. Het gespreksverslag is daarom niet in de beoordeling betrokken maar wel aan het dossier toegevoegd.
1.4.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 april 2026.
Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat en ondersteund door tolk Duitse taal A. de Koning;
- vertegenwoordiger van de Raad [naam 1] ;
- vertegenwoordiger van de GI jeugdbeschermer [naam 2] .

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft in een gezinshuis.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 februari 2026 [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 6 mei 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 6 februari 2026 een machtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 6 mei 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [de minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van vier maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad maakt zich ernstige zorgen over de ontwikkeling van [de minderjarige] . [de minderjarige] loopt achter ten opzichte van haar leeftijdsgenootjes op cognitief gebied en in haar persoonlijke verzorging. [de minderjarige] benoemt dingen die laten zien dat zij is belast met volwassen zaken. De gezinshuisouders zien dat ze beschikt over een opmerkelijk en zorgelijk groot aanpassingsvermogen. In de begeleide bezoeken zoekt [de minderjarige] de veiligheid en nabijheid van de begeleider. [de minderjarige] komt uit een situatie waarin het haar heeft ontbroken aan stabiliteit (in huisvesting, inkomen en basisbehoeften). [de minderjarige] heeft met moeder in huis bij ex-partner/stiefvader [stiefvader] verbleven in een ernstig vervuilde leefomgeving. Er is mogelijk sprake (geweest) van bij gelegenheid of structureel overmatig alcoholgebruik door moeder en stiefvader [stiefvader] . Hierin ligt een potentiële zorg voor de fysieke en emotionele beschikbaarheid voor [de minderjarige] en haar mogelijkheden voor het opbouwen van een veilige gehechtheidsrelatie. De moeder heeft [de minderjarige] geruime tijd onthouden van onderwijs, ondanks herhaaldelijk aandringen over het belang hiervan bij moeder voor Veilig Thuis en de politie. Het lukte de moeder niet om te voldoen aan adviezen rondom het inschrijven van [de minderjarige] op school, bij een huisarts en op een woonadres. De Raad ziet krachten; er is veel liefde en genegenheid tussen [de minderjarige] en de moeder en [de minderjarige] toont zich veerkrachtig en vrolijk. De Raad ziet ook belemmeringen die het hulpverleningstraject bemoeilijken.
De jeugdbeschermer krijgt niet inzichtelijk wat [de minderjarige] allemaal heeft meegemaakt in haar leven, omdat er veel onduidelijk blijft over de eerdere leefsituatie van [de minderjarige] . In de optiek van de Raad ligt aan dit probleem ten grondslag dat de moeder de gemelde zorgen niet erkent en niet begrijpt. De beleving van moeder komt niet altijd overeen met de daadwerkelijke situatie die is waargenomen door bijvoorbeeld de politie. Het is hierdoor ingewikkeld om de zorgen met haar te bespreken. De moeder wil aan hulpverlening meewerken om [de minderjarige] terug te krijgen, maar heeft geen hulpvraag. Ook vindt de Raad het een belemmering dat niet duidelijk is geworden welke rol stiefvader/ex-partner [stiefvader] (die ondanks contactpogingen niet door de Raad is gesproken) in het leven van [de minderjarige] kan en wil spelen. Tot slot ziet de Raad een beperking in de taalbarrière. De moeder spreekt geen Nederlands en lijkt niet te begrijpen hoe het systeem in Nederland in elkaar zit, maar zich daar ook onvoldoende in te verdiepen. De door de moeder voorgestelde optie dat zij met [de minderjarige] gaat wonen bij [naam 3] vraagt om nader onderzoek. De Raad wil dat [de minderjarige] bij moeder wordt teruggeplaatst op een plek waar haar veiligheid en stabiliteit langdurig gewaarborgd zijn. Middels de inzet van intensieve opvoedondersteuning met fasegewijze uitbreiding van de bezoeken, maar bij voorkeur middels een gezinsopname moet er de komende vier maanden zicht komen op de mogelijkheden van moeder om voor [de minderjarige] te zorgen.

4.Standpunt GI

4.1.
De GI schaart zich achter het verzoek van de Raad en deelt de daar aan ten grondslag liggende zorgen. De jeugdbeschermer benoemt als extra zorg dat de moeder alle zorgen ontkent. Er is weinig contactgroei. [naam 3] kan [de minderjarige] op het oog een prima leefomgeving bieden. Maar de focus van de GI ligt op de opvoedvaardigheden en wil graag weten wie hij is en of de moeder en [de minderjarige] er daadwerkelijk een stabiele plek hebben waar ook hulpverlening kan worden ingezet. Het organiseren van een opbouwende contactregeling is lastig. Er gelden wachtlijst voor begeleide omgang en ook jeugdbeschermer zelf is beperkt beschikbaar. Daar komt bij dat hierin ook bij [de minderjarige] niet over grenzen heen moet worden gegaan; na een uur lijkt [de minderjarige] de belasting van het bezoek niet meer goed aan te kunnen.

5.Standpunt moeder

5.1.
De advocaat concludeert namens de moeder tot referte ten aanzien van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] . Tegen de machtiging tot uithuisplaatsing voert de moeder verweer. De moeder vraagt de kinderrechter het verzoek uithuisplaatsing af te wijzen dan wel de duur van de machtiging aanzienlijk te bekorten.
5.2.
Daartoe wordt het volgende betoogd. [de minderjarige] behoort op de zo kort mogelijke termijn bij de moeder te worden teruggeplaatst. De moeder heeft binnen haar mogelijkheden al het mogelijke voor [de minderjarige] georganiseerd. De moeder heeft de inschrijving op een school, bij een huisarts, op een woonadres en het aanvragen van een identiteitsbewijs voor [de minderjarige] in orde gemaakt. Er ligt vanuit de rechtbank een duidelijke opdracht om het contact met [de minderjarige] vorm te geven en op te bouwen. De GI geeft hier onvoldoende uitvoering aan; de moeder en [de minderjarige] zien elkaar te kort en met te grote tussenpozen. De beperkte mogelijkheden van de jeugdbeschermer om het contact te faciliteren hoeven en behoren hierin geen belemmering te zijn. De GI kan hiervoor bij particuliere organisaties terecht. De GI moet serieus kijken naar de optie van wonen bij [naam 3] . Hij biedt een bestendige en veilige plek waar [de minderjarige] kan opgroeien. De moeder heeft haar aanvankelijke weerstand overwonnen; ze is volledig bereid om aan alle hulpverlening die de GI nodig vindt mee te werken, inclusief urinetesten om abstinentie van alcohol aan te tonen. Een gezinsopname is niet realistisch, gelet op de wachttijd daarvoor. Een terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder, ondersteund door ASH (ambulante spoedhulp, snel beschikbaar), ligt het meest voor de hand. De moeder betwist nadrukkelijk dat er bij haar sprake zou zijn van overmatig alcoholmisbruik. Dit is niet aangetoond en past ook niet bij haar professie van internationaal vrachtwagenchauffeuse. De moeder betwist ook dat zij de gewoonte heeft gehad om met [de minderjarige] op dievenpad te gaan. Uitlatingen van [de minderjarige] die daarop duiden moeten worden gezien tegen de achtergrond van het mythisch en magisch denken dat bij een meisje van haar leeftijd hoort. [de minderjarige] doet ook andere uitspraken (over met de moeder meegaan op reis en dan slapen in de vrachtwagen) die overduidelijk berusten op fantasie. De moeder kan het moeten missen van [de minderjarige] voor maar liefst vier maanden niet dragen en met [de minderjarige] gaat het in het gezinshuis ook helemaal niet goed. Ze is er erg ongelukkig en raakt in zichzelf gekeerd. De GI moet snel werk maken van de terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder. Het ligt op de weg van de GI om hier een duidelijk en concreet plan voor neer te leggen, waarin wordt voorzien in daadwerkelijke hulp en waarin de verwachtingen van moeder duidelijk worden opgenomen.

6.De beoordeling

6.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
6.2.
Er is sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [de minderjarige] die niet met vrijwillige hulpverlening kan worden afgewend. De moeder woont met [de minderjarige] al langere tijd in Nederland. In 2023 zijn er meerdere Veilig Thuis meldingen ten aanzien van [de minderjarige] gedaan. In een afsluitende brief is de moeder geadviseerd [de minderjarige] in te schrijven bij een huisarts en op een basisschool. Ook in 2024 is een melding bij Veilig Thuis gedaan naar aanleiding van een vermoedelijke winkeldiefstal waar [de minderjarige] bij aanwezig was. In november 2025 is er eveneens een VT-melding geweest naar aanleiding van de zorgen over de ernstig vervuilde staat van de woning waarin [de minderjarige] zou verblijven. Op 5 februari 2026 is de politie bij ex-partner/stiefvader [stiefvader] thuis die vertelde dat de moeder en [de minderjarige] al weken niet thuis waren. De politie trof (net als in november) een ernstig vervuilde woning aan waar [de minderjarige] ook verbleef. Op 5 februari 2026 is de politie bij [naam 3] , een kennis van de moeder, aan de deur die ontkent dat moeder en [de minderjarige] er waren. Zij worden wel in de woning aangetroffen.
6.3.
De moeder leeft met [de minderjarige] al een aantal jaar onder de radar. Er is geen stabiel thuis voor [de minderjarige] en voor zover ze die had bij de stiefvader/ex-partner van moeder was het een sterk vervuild huis. [de minderjarige] ging, hoewel al leerplichtig, niet naar school. Hoewel het contact tussen de moeder en [de minderjarige] liefdevol is en zij een goede band hebben, is de vraag in hoeverre de moeder [de minderjarige] een voldoende stabiele opvoedomgeving kan bieden. De hiervoor vermelde VT-meldingen geven daarvoor een zorgelijk beeld. De moeder geeft aan dat zij en [de minderjarige] bij [naam 3] kunnen wonen maar onduidelijk is of dit een bestendige situatie is. Daarnaast is nodig dat er zicht komt op de opvoedcapaciteiten van de moeder, gelet op de lange tijd waarin de moeder [de minderjarige] geen stabiele opvoedomgeving heeft geboden.
6.4.
Nu niet duidelijk is of de moeder een voldoende stabiele en veilige opvoedsituatie kan bieden, is een uithuisplaatsing van [de minderjarige] nog noodzakelijk. In de tussentijd zal de jeugdbescherming moeten werken aan een plan en basisvoorwaarden waarop [de minderjarige] weer bij de moeder thuis kan wonen. Hierin dient de bestendigheid van de woonsituatie, de achtergrond van [naam 3] te worden meegenomen.
6.5.
De ondertoezichtstelling, waartegen geen verweer is gevoerd, is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [de minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar.
6.6.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] De kinderrechter gaat voorbij aan het tot bekorting van de duur van de machtiging uithuisplaatsing gevoerde verweer en verleent de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinsgerichte voorzienig voor de gevraagde duur van vier maanden.
6.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
stelt [de minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland met ingang van 30 april 2026 tot 30 april 2027;
7.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 6 mei 2026 tot 30 augustus 2026;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026 door mr. H.M. Boone, kinderrechter, in aanwezigheid van B.M. Muller Santana de Andrade als griffier, en op schrift gesteld op 22 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.