ECLI:NL:RBDHA:2026:14358

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
31 mei 2026
Zaaknummer
C/09/703433 / JE RK 26-638
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige kinderen wegens zorgwekkend gedrag vader

De gecertificeerde instelling verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van drie maanden. Dit verzoek werd gemotiveerd door ernstige zorgen over het zorgwekkende en ontregelde gedrag van de vader, waaronder verward gedrag, middelengebruik, wanen en agressie. De vader weigerde contact met hulpverleners, waardoor onvoldoende zicht was op de thuissituatie en de veiligheid van de kinderen niet gegarandeerd kon worden.

De vader voerde verweer en stelde dat hij openstond voor hulpverlening, bereid was tot diagnostiek en urinecontroles, en niet van plan was het land te verlaten. De moeder stemde in met het verzoek tot uithuisplaatsing. De kinderrechter oordeelde dat de machtiging noodzakelijk was in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen, gelet op de onvoorspelbaarheid en onveiligheid in de thuissituatie bij de vader.

De kinderen verblijven momenteel in een gezinshuis en de kinderrechter verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Tevens werd bepaald dat bij een verlengingsverzoek aanvullende informatie over de hulpverlening en thuissituatie moet worden verstrekt. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen voor drie maanden wegens ernstige zorgen over het gedrag en de psychische toestand van de vader.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/703433 / JE RK 26-638
Datum uitspraak: 30 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
- [de minderjarige 1]geboren op [geboortedatum 1] 2016 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
- [de minderjarige 2]geboren op [geboortedatum 2] 2019 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,
hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. W.G. Nieman uit Leiden.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Bij beschikking van 17 april 2026 is een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg van 17 april 2026 tot 30 april 2026. Het verzoek is voor het overige aangehouden.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 april 2026;
  • het bericht van de advocaat, ontvangen op 29 april 2026.
De advocaat van de vader heeft ter zitting een pleitnota overgelegd, die aan het dossier is toegevoegd.
1.3.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam 1] en [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling;
  • de vader met zijn advocaat;
- de moeder.
1.4.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige 1] heeft geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
Voor de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 17 april 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd.
De vader toont al langere tijd ernstig zorgwekkend en ontregeld gedrag waarbij er ook zorgen zijn over zijn psychische toestand. De jeugdbeschermer probeert al enige tijd om in samenwerking met de GGD in contact te komen met de vader, maar dit is tot op heden niet gelukt. De vader weigert hen te woord te staan en doet de deur niet open. Hierdoor heeft de gecertificeerde instelling onvoldoende zicht op het dagelijks functioneren van vader en daarmee op de opvoedsituatie van de kinderen. Er zijn zorgen over middelengebruik, verward gedrag, wanen, complot denken en agressie. De vader heeft kort geleden op zijn sociale media een bericht geplaatst waarin hij aangeeft dat zijn “laatste dagen in Nederland zijn aangebroken”. Ook heeft hij de jeugdbeschermer een emailbericht gestuurd waarin hij aangeeft voornemens te zijn Nederland te zullen verlaten. Vanuit school zijn ook zorgelijke signalen over het gedrag van de vader ontvangen. De vader is door zijn problematiek, onvoldoende in staat om bij de kinderen aan te sluiten. De gecertificeerde instelling heeft zorgen dat de emotionele onvoorspelbaarheid van de vader verwarrend en belastend is voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . De gecertificeerde instelling vindt het van belang dat de kinderen de komende drie maanden in het gezinshuis kunnen verblijven. Plaatsing van de kinderen bij de moeder is op dit moment ook niet haalbaar. De begeleide omgang met de moeder is pas sinds februari opgestart en de moeder draagt de zorg voor haar andere kinderen.
De gecertificeerde instelling wil onderzoeken of plaatsing bij de moeder in de toekomst mogelijk is.
De gecertificeerde instelling wil de komende periode voorwaarden c.q. bodemeisen stellen zodat meer zicht komt op de problematiek en thuissituatie van de vader en, indien mogelijk, gewerkt kan worden aan thuisplaatsing. Deze voorwaarden zullen onder meer gericht zijn op het melden bij GGZ voor diagnostiek en behandeling. In de periode voordat de vader kan starten bij de GGZ, vanwege de lange wachtlijsten, zal er al wel een traject worden opgestart vanuit de GGD. Ook zullen de zorgen rondom het alcoholgebruik van de vader daarin worden meegenomen. Met het oog op thuisplaatsing zal tevens gewerkt worden aan het contactherstel tussen de vader en de kinderen.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de vader is verweer gevoerd tegen het verzochte. De vader verzoekt primair dat de uithuisplaatsing zo kort mogelijk moet duren en het contact met de kinderen zo snel mogelijk met hem moet worden uitgebreid. De vader heeft sinds de uithuisplaatsing slecht eenmaal omgang gehad met de kinderen. Het contact tussen de vader en de kinderen moet zo snel mogelijk worden hersteld. Subsidiair wordt verzocht om de uithuisplaatsing voor een maximale duur van een tot twee maanden uit te spreken.
In die periode kan in kaart worden gebracht wat de mogelijkheden zijn voor de vader om zelf weer de verzorging en opvoeding van de kinderen op zich te nemen en welke hulpverlening daarbij kan worden ingezet. Er moet gewerkt worden aan terugplaatsing van de kinderen.
Ter zitting is zowel door de vader als door de advocaat naar voren gebracht dat de vader open staat voor hulpverlening. Hij is bereid zich te laten diagnosticeren door een onafhankelijke gedragswetenschapper, zoals een psycholoog of psychiater. Hiervoor is al contact opgenomen met de huisarts. Ook is hij bereid tot urinecontroles, als dat noodzakelijk is. Hij wil er alles aan doen om de kinderen weer thuis te laten wonen en is dan ook bereid de hulpverlening met beide handen aan te pakken. De vader is helemaal niet voornemens om naar het buitenland te vertrekken, hij heeft die uitlatingen gedaan als uitlating van onvrede. Hij geeft daarnaast aan dat de zorgen over middelengebruik ook niet aan de orde zijn.
4.2.
Door de moeder is ingestemd met het verzochte. De moeder benoemt dat het een goede keuze is dat de kinderen op dit moment niet bij de vader wonen gelet op hetgeen zij over de thuissituatie en de zorgen over de vader heeft gehoord.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Er zijn ernstige zorgen over de veiligheid van de kinderen in de thuissituatie van de vader. Door de gecertificeerde instelling en de school van de kinderen worden al langere tijd zorgen gezien over het gedrag van de vader en zijn psychische toestand. De vader laat verward gedrag zien, plaatst verontrustende berichten op zijn sociale media en verstuurt onsamenhangende berichten naar de gecertificeerde instelling. Ook zijn er zorgen over middelengebruik.
De gecertificeerde instelling heeft geen zicht op de thuissituatie van de vader doordat hij het contact met de jeugdbeschermer en andere hulpverleningsinstanties, zoals de GGD, heeft afhouden. Hierdoor kunnen de zorgen over zijn problematiek niet worden weggenomen en is het onduidelijk of en zo ja, welke hulpverlening dient te worden ingezet.
De vader heeft ter zitting toegezegd dat hij nu wel openstaat voor hulpverlening, zich hiervoor maximaal zal inzetten en op eigen initiatief de hulp van een psycholoog dan wel psychiater zal inschakelen voor het afnemen van diagnostiek. De kinderrechter verwacht dan ook dat de vader deze toezegging zal nakomen. Doordat er onvoldoende zicht is op de thuissituatie van de kinderen kan hun veiligheid niet worden gegarandeerd. Ook de emotionele onvoorspelbaarheid van de vader is belastend voor de kinderen. Het is voor de ontwikkeling van de kinderen noodzakelijk dat zij in een rustige en voorspelbare omgeving verblijven. Op dit moment kan de vader dit niet bieden. Ook is plaatsing van de kinderen bij de moeder momenteel niet haalbaar. De plaatsing van de kinderen in een gezinshuis is daarom noodzakelijk. De komende periode dient meer zicht te komen op de problematiek en thuissituatie van de vader. De gecertificeerde instelling zal daarvoor bodemeisen opstellen, waar de vader zich aan dient te houden. Het is daarnaast van belang dat er gewerkt wordt aan contactherstel tussen de vader en de kinderen.
5.3.
Door de gecertificeerde instelling is in het verzoekschrift verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen in een voorziening voor pleegzorg. Ter zitting is door de gecertificeerde instelling benoemt dat de kinderen op dit moment verblijven in een gezinshuis en dat het wenselijk is dat zij daar de komende periode kunnen verblijven. Voor deze plaatsing is echter een machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening vereist. Gelet op hetgeen de gecertificeerde instelling ter zitting naar voren heeft gebracht zal de kinderrechter het verzoek van de gecertificeerde instelling duiden als een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening.
5.4.
Gelet op het voornoemde verleent de kinderrechter een machtiging om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van drie maanden.
5.5.
De kinderrechter benoemt tot slot dat – indien er bij het aflopen van de termijn van de machtiging – er in de toekomst een verlengingsverzoek zal worden ingediend zij over het volgende wil worden geïnformeerd. De gecertificeerde instelling dient onder andere informatie te verstrekken over de mogelijkheden van netwerkplaatsing, informatie over school met betrekking tot [de minderjarige 1] (onder meer ten aanzien van het speciaal basisonderwijs), in hoeverre de vader heeft meegewerkt met de hulpverlening vanuit de GGD en de zorgen over zijn alcoholgebruik en uitslagen van eventuele uc’s. Van de vader wordt verwacht dat hij informatie zal toezenden betreffende het traject bij de psycholoog dan wel psychiater voor diagnostiek en de voortgang daarvan. Het staat de moeder uiteraard vrij om ook informatie te delen indien zij dit wenst.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 30 april 2026 tot 16 juli 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026 door mr. J.C. van den Dries, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 7 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.