De vader verzocht in januari 2021 om vervangende toestemming voor erkenning van zijn minderjarige kind, medegezag en een omgangsregeling. De erkenning werd in september 2022 verleend, maar het verzoek tot medegezag en omgang werd aangehouden in afwachting van een specialistische gezinsbehandeling.
De Raad voor de Kinderbescherming concludeerde in augustus 2024 dat het belang van het kind zich niet verzet tegen omgang, maar dat er op dat moment geen mogelijkheden waren voor contactherstel vanwege de gezinsproblematiek en het lopende behandeltraject. De behandeling bij Beter Thuis werd in januari 2026 afgerond.
Op de zitting bevestigde de vader zijn verzoek tot omgang, ondanks twijfels over het tijdsverloop, terwijl de moeder contactopbouw op dit moment niet wenselijk achtte vanwege de kwetsbaarheid van het kind en de gemoedstoestand van de vader. De rechtbank oordeelde dat contactopbouw veel van het kind zou vergen en niet in haar belang is, en wees het verzoek af.
De rechtbank benadrukte het belang dat de vader op de hoogte blijft van het leven van het kind en dat de moeder daartoe verplicht is. Tevens is afgesproken dat de vader af en toe een kaartje zal sturen dat de moeder met het kind zal delen. De beslissing werd toegelicht in een brief aan het kind.