ECLI:NL:RBDHA:2026:14337

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
30 mei 2026
Zaaknummer
C/09/693122 / JE RK 25-1767
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De rechtbank Den Haag heeft op 29 april 2026 besloten tot verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, geboren in 2022 en 2023, tot 5 november 2026. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om deze verlenging vanwege aanhoudende ernstige ontwikkelingsbedreiging, ondanks ingezette hulpverlening en enkele positieve ontwikkelingen.

De kinderen verblijven momenteel bij de vader, maar er is onvoldoende zicht op zijn opvoedvaardigheden. De ouders verschillen sterk van mening over de zorg en opvoeding, communiceren slecht en er zijn spanningen die de stabiliteit van de kinderen bedreigen. De moeder heeft ingestemd met de verlenging, terwijl de vader verweer voerde en stelde dat hij stabiliteit kan bieden en de kinderen niet naar de moeder willen.

De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en werkt aan een passende omgangsregeling tussen moeder en kinderen. De kinderrechter acht de betrokkenheid van een jeugdbeschermer noodzakelijk om de hulpverlening voort te zetten, de opvoedsituatie te monitoren en de veiligheid en stabiliteit van de kinderen te waarborgen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de twee minderjarige kinderen wordt verlengd tot 5 november 2026 met directe uitvoerbaarheid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/693122 / JE RK 25-1767
Datum uitspraak: 29 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,
hierna te noemen: de Raad,
over
- [minderjarige 1]geboren op [geboortedatum 1] 2022 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
- [minderjarige 2]geboren op [geboortedatum 2] 2023 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M.W. Kuiper uit Den Haag ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Bij beschikking van 5 november 2025 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 5 mei 2026 en het verzoek voor het overige aangehouden.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 5 november 2025;
  • de schriftelijke update van van de Raad van 23 april 2026;
  • de stukken van de moeder, ontvangen op 25 maart 2026 en 24 april 2026.
1.3.
Op 29 april 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam 1] , namens de Raad;
  • [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling;
  • de vader via telefonische verbinding en bijgestaan door een tolk;
- de moeder met haar advocaat.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van 15 januari 2026 is de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden vervangen door de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering.
2.2.
Voor de overige feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 5 november 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het verzoek is op 5 november 2025 voor zes maanden toegewezen en voor het overige is aangehouden. Het resterende deel van dit verzoek dat thans aan de orde is strekt tot het onder toezicht stellen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van zes maanden, te weten tot 5 november 2026.
3.2.
De Raad heeft het verzoek gemotiveerd als volgt. Ondanks de ingezette hulpverlening en enkele positieve ontwikkelingen maakt de Raad zich nog steeds zorgen om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn langdurig blootgesteld aan onrust, instabiliteit en spanningen tussen de vader en de moeder. De vader en de moeder hebben een uiteenlopende visie waardoor zij niet gezamenlijk de verantwoordelijkheid over de zorg- en opvoeding van de kinderen kunnen dragen. Het lukt hen niet om goed te communiceren over de kinderen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn jong en kwetsbaar. Vanwege hun leeftijd is continuïteit, stabiliteit en emotionele beschikbaarheid van groot belang. De kinderen verblijven op dit moment bij de vader, maar er is nog te weinig zicht op deze opvoedsituatie. Het is van belang dat de opvoedvaardigheden van de vader goed worden onderzocht. Daarnaast is het noodzakelijk dat er een omgangsregeling is voor de moeder en de kinderen. De Raad maakt zich zorgen dat zonder de betrokkenheid van een jeugdbeschermer de prille positieve ontwikkelingen niet duurzaam kunnen worden gewaarborgd. De komende periode is een ondertoezichtstelling nodig om de hulpverlening te continueren, het opvoedperspectief van de kinderen verder te verduidelijken en de veiligheid en stabiliteit in hun opvoedsituatie duurzaam te waarborgen.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder is ingestemd met het verzochte. De moeder is gestopt met de gezinsopname, mede omdat de relatie met de vader niet goed verliep. Sindsdien verblijven de kinderen bij de vader. De moeder stelt dat uit de stukken van de Raad en de gecertificeerde instelling een ander beeld volgt dan hoe zij over de situatie denkt. De vader heeft altijd het contact met hulpverlening vermeden en verzorgde de kinderen niet. De moeder kan juist goed schakelen tussen het verzorgen van de kinderen en het huishouden. Ze zorgt voor duidelijkheid, ritme en structuur voor de kinderen.
De vader kan zich emotioneel uiten en neemt een dreigende houding aan naar de moeder. Hij heeft haar geblokkeerd en houdt zich niet aan de videobelmomenten. De moeder maakt zich zorgen over kindermishandeling. Ze ziet graag dat de kinderen bij haar worden geplaatst. Als de kinderen toch bij de vader blijven wil ze twee keer per week naar de kinderen reizen voor een omgangsmoment. Ze zou hen bijvoorbeeld kunnen ophalen bij de opvang zodat de overdracht goed verloopt.
4.2.
Door de vader is verweer gevoerd tegen het verzochte. De vader benoemt dat hij zich heeft ingezet voor de gezinsopname en heeft laten zien dat hij stabiliteit en veiligheid kan bieden aan de kinderen. Als er gedwongen hulpverlening moet worden ingezet dan staat de vader daar voor open, maar hij merkt wel op nu voldoende te hebben aan de hulpverlening vanuit [instantie] . De vader zegt dat de kinderen niet naar de moeder willen gaan. Hij zal hen ook niet dwingen om te gaan. De vader vindt het onverantwoord om de kinderen bij de moeder te plaatsen. Het is daar volgens hem niet veilig.
4.3.
De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en het verzoek van de Raad. [instantie] is ingezet om meer zicht te krijgen op de opvoedsituatie en -vaardigheid van de vader. Er worden geen signalen van kindermishandeling gezien en de kinderen zien er verzorgd uit.
De gecertificeerde instelling is bezig met het opzetten van een vast omgangsmoment tussen de moeder en de kinderen. Er is op woensdag en vrijdag een mogelijkheid gevonden, maar de vader wil juist dat de omgang plaatsvindt in het weekend. Er wordt gezocht naar een passende regeling. De gecertificeerde instelling geeft aan dat de overdrachtsmomenten in aanvang begeleid zullen worden.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1]
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De vader en de moeder staan lijnrecht tegenover elkaar. Zij verschillen enorm in de visie ten aanzien van onder andere de opvoeding van de kinderen. Daarnaast zijn er spanningen tussen hen en uiten zij zorgen over en weer met betrekking tot de veiligheid van de kinderen. Het lukt de vader en de moeder daardoor ook niet om goed te communiceren met elkaar. Dit is niet in het belang van de kinderen.
Sinds het afronden van de gezinsopname en het beëindigen van de relatie van de vader en de moeder verblijven de kinderen bij de vader. De gecertificeerde instelling heeft hulpverlening vanuit [instantie] ingezet om zicht te krijgen op de thuissituatie van de vader en zijn opvoedvaardigheden.
Het is, ook vanwege de ernstige zorgen geuit door de moeder, van belang dat dit de komende periode gecontinueerd wordt en goede informatie oplevert.
Daarnaast is het noodzakelijk dat er spoedig een passende omgangsregeling voor de moeder en de kinderen wordt opgesteld. Ter zitting is gebleken dat de visies van de vader en de moeder ook ten aanzien van de omgang enorm verschillen. De gecertificeerde instelling dient te onderzoeken op welke manier de omgang kan worden vormgegeven. Het is immers voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van belang dat zij prettig en regelmatig contact kunnen hebben met beide ouders.
De ouders zullen allebei mee moeten werken aan de totstandkoming van een voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] passende regeling voor contact met hun beide ouders.
Gelet op de zorgen acht de kinderrechter de betrokkenheid van een jeugdbeschermer daarvoor noodzakelijk. Van de jeugdbeschermer wordt een actieve rol verwacht daarin, omdat ouders niet in staat zij dit onderling te regelen.
5.3.
De kinderrechter stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van zes maanden.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 5 mei 2026 tot 5 november 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026 door mr. J.C. van den Dries, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 7 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.