ECLI:NL:RBDHA:2026:14305

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
30 mei 2026
Zaaknummer
C/09/703466 / JE RK 26-642
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlening machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens huiselijk geweld en gedragsproblemen

De gecertificeerde instelling verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van een elfjarige minderjarige vanwege herhaaldelijk agressief en zelfbepalend gedrag, dat leidde tot onveilige situaties binnen het gezin. Na een spoedplaatsing bij familie werd een langdurige uithuisplaatsing in een gespecialiseerde voorziening voor pleegzorg gevraagd om rust te creëren en behandeling mogelijk te maken.

De moeder stemde volledig in met het verzoek, erkende de problematiek en hoopte op een spoedige terugkeer van de minderjarige. De vader erkende de noodzaak van uithuisplaatsing, maar vond de gevraagde periode van zes maanden te lang en vreesde hechtingsproblemen en contactverlies met de andere kinderen.

De kinderrechter oordeelde dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige en de veiligheid van het gezin. Er is een dringende behoefte aan diagnostiek, behandeling en verbetering van de gezinsdynamiek. De machtiging werd verleend voor de periode van 1 mei 2026 tot 15 november 2026 en direct uitvoerbaar verklaard, met het oog op het belang van de minderjarige en het gezin.

Uitkomst: Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige voor zes maanden verleend en direct uitvoerbaar verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/703466 / JE RK 26-642
Datum uitspraak: 29 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat: mr. C.M. Emeis uit Den Haag,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2].

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Bij beschikking van 17 april 2026 is een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. Het verzoek is voor het overige aangehouden.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 april 2026.
1.3.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam 1] en [naam 2], namens de gecertificeerde instelling;
  • de vader;
- de moeder en haar advocaat.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 februari 2026 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 2 februari 2027.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van vier weken, welk verzoek op 17 april 2026 is toegewezen voor de duur van twee weken. De gecertificeerde instelling verzoekt daarnaast om aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Er is sprake van huiselijk geweld in de thuissituatie vanuit [minderjarige] naar de gezinsleden toe. [minderjarige] heeft moeite met zijn emotieregulatie waardoor het risico op herhaling van huiselijk geweld groot is. Op 14 april heeft er een zeer dreigende situatie plaatsgevonden. Naar aanleiding van dit incident is [minderjarige] met spoed uit huis geplaatst bij zijn oom en tante. [minderjarige] toont zelfbepalend en agressief gedrag en heeft moeite om zich aan regels te houden en oorzaak-gevolg in te zien. Hij is bekend met veel incidenten waarbij er sprake is van agressie richting de moeder, zijn broer en zusje. Het lukt de moeder en haar partner niet om [minderjarige] te sturen waardoor de veiligheid van de andere kinderen van het gezin ook niet kan worden gewaarborgd.
Door de oom en tante is aangeven dat [minderjarige] daar de komende periode mag blijven. Om rust te creëren en [minderjarige] de mogelijkheid te geven om aan zijn emotieregulatie te werken is een uithuisplaatsing noodzakelijk. De gecertificeerde instelling acht plaatsing van [minderjarige] in een driemilieuvoorziening het meest passend en heeft hem aangemeld bij [instantie 1]. Binnen die setting kan [minderjarige] starten met het volgen van onderwijs, behandeling krijgen en kan gewerkt worden aan het verbeteren van de gezinsdynamiek. Ook is de hulpvraag bij [instantie 2] en [instantie 3] neergelegd. Het afnemen van diagnostiek, volgen van behandeling en werken aan de gezinsdynamiek is noodzakelijk voor de terugplaatsing van [minderjarige]. Er is eerder geprobeerd diagnostiek af te nemen, maar dit was niet mogelijk door de onrust in de thuissituatie. De gecertificeerde instelling benoemt daarnaast dat ook zal worden gewerkt aan het herstellen van de banden tussen [minderjarige] en zijn familie, onder andere door het opbouwen van contact en inzet van hulpverlening.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder is ingestemd met het verzochte. Ter zitting heeft de moeder naar voren gebracht dat de situatie thuis onhoudbaar is geworden. De onderliggende problematiek van [minderjarige] is nog niet onderzocht waardoor er nog geen behandeling is gestart. De moeder hoopt dat er met voortvarendheid een passende plek voor [minderjarige] gevonden wordt.
Zij heeft veel verdriet en mist [minderjarige] erg, maar ze ziet in dat er echt hulp nodig is. Ze hoopt dat hij snel weer thuis kan zijn.
4.2.
Door de vader is gedeeltelijk ingestemd met het verzochte. De vader geeft aan dat een uithuisplaatsing op dit moment noodzakelijk is, maar hij vindt de periode van zes maanden te lang. Hij vindt een periode van drie maanden meer passend. Hij vreest dat een langere uithuisplaatsing zorgt voor hechtingsproblematiek en verwatering van het contact tussen [minderjarige], zijn broer en zusje. De vader is bang dat dit bij thuisplaatsing weer moet worden hersteld.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. [minderjarige] laat zeer zorgelijk gedrag zien in de thuissituatie. Er hebben zich meerdere incidenten voorgedaan waarbij de veiligheid niet kon worden gewaarborgd. [minderjarige] is pas elf jaar oud en laat zelfbepalend en agressief gedrag zien. Ook heeft hij moeite met zijn emotieregulatie, houdt hij zich niet aan de regels en laat zich niet begrenzen door de ouders. Vanwege de fysieke incidenten en onveiligheid van de thuissituatie door het gedrag van [minderjarige] is een uithuisplaatsing noodzakelijk.
5.3.
Op dit moment kan [minderjarige] voor nu terecht bij zijn oom en tante. Daar lijkt hij zich – vooralsnog – goed te gedragen en zich aan de regels te houden. Hij zelf vindt het fijn om een tijdje in dit gezin te mogen verblijven.
Ter zitting is door de gecertificeerde instelling naar voren gebracht dat een driemilieuvoorziening meer passend is voor [minderjarige] en dat daar de komende periode naar gezocht zal worden. De kinderrechter onderschrijft de noodzaak voor onderwijs, diagnostiek, hulpverlening en verbetering van de gezinsdynamiek, maar merkt hierbij op dat er in de periode voordat [minderjarige] terecht kan in een D3-voorziening ook hulpverlening ingezet moet worden. Daarnaast is het van groot belang dat gewerkt wordt aan contactherstel tussen [minderjarige] en de gezinsleden, waaronder zijn broer en zusje. Ter zitting zijn door de vader zorgen geuit over het verwateren van het contact tussen de kinderen. Zowel door de gecertificeerde instelling als door de kinderrechter is benadrukt dat contact tussen hen belangrijk is en zoveel mogelijk gestimuleerd zal worden.
Gelet op de ernst van de zorgen verleent de kinderrechter een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 1 mei 2026 tot 15 november 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026 door mr. J.C. van den Dries, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 7 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.