Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14216

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
25/173
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking beroep Wmo-ondersteuning

Verzoekster had beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 28 november 2024, waarin haar aanvraag voor begeleiding op grond van de Wmo 2015 was afgewezen. Na het instellen van het beroep heeft verweerder op 9 januari 2026 alsnog positief beslist en ondersteuning toegekend voor de periode van 6 januari 2026 tot en met 31 december 2027. Hierdoor trok verzoekster haar beroep in.

De rechtbank heeft het verzoek van verzoekster om verweerder te veroordelen in de proceskosten beoordeeld. Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek. De rechtbank oordeelt dat verweerder geheel aan verzoekster is tegemoetgekomen door het nieuwe besluit en wijst het verzoek tot proceskostenveroordeling toe.

De proceskostenvergoeding bedraagt € 934,-, bestaande uit de kosten van het ingediende beroepschrift. De rechtbank wijst verzoekster tevens op de mogelijkheid tot vergoeding van griffierecht conform artikel 8:41, zevende lid, van de Awb. De uitspraak is gedaan zonder zitting op 30 april 2026 door rechter C.J. Waterbolk.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster na intrekking van het beroep wegens tegemoetkoming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/173

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. M.J. Zennipman),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk, verweerder

(gemachtigde: M. de Weger).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het besluit van verweerder van 28 november 2024. Zij heeft het beroep ingetrokken omdat verweerder op 9 januari 2026 aan verzoekster alsnog positief heeft beslist op haar aanvraag voor ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015).
1.1.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Verweerder heeft hierop niet gereageerd.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
4. De rechtbank moet dus beoordelen of verweerder geheel of gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen.
4.1.
Op 7 januari 2025 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 28 november 2024 waarin het bezwaar van verzoekster ongegrond is verklaard.
Verzoekster was in bezwaar gegaan tegen de afwijzing van haar aanvraag om begeleiding bij het Sociaal en Persoonlijk Functioneren op grond van de Wmo 2015. Verweerder heeft de rechtbank op 4 december 2025 laten weten opnieuw onderzoek te doen naar aanleiding van (nieuwe) medische stukken van verzoekster. Op 5 maart 2026 heeft verweerder de rechtbank geïnformeerd dat zij naar aanleiding van dit onderzoek een nieuw besluit heeft genomen. Verweerder heeft op 9 januari 2026 verzoekster ondersteuning in de vorm van zorg in natura toegekend voor Sociaal en Persoonlijk Functioneren voor de periode van
6 januari 2026 tot en met 31 december 2027. Hiermee is verweerder tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster.
5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van verzoekster een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
6. Wat de vergoeding van het griffierecht betreft wijst de rechtbank verzoekster op artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van
mr.E.P.A. Stok, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).