De minister van Asiel en Migratie legde op 14 februari 2026 een maatregel van vreemdelingenbewaring op aan eiser, die nog voortduurt. De rechtbank had eerder op 2 maart 2026 de rechtmatigheid van deze bewaring tot 23 februari 2026 bevestigd. De minister stelde de rechtbank op de hoogte van de voortzetting en overhandigde een voortgangsrapportage, waarop eiser reageerde. De rechtbank sloot het vooronderzoek op 13 mei 2026 en besloot een zitting achterwege te laten.
Eiser klaagde over de communicatie van de minister, maar de rechtbank vond geen aantoonbare schending van het procesbelang of de procesorde. De rechtbank constateerde dat er zicht is op uitzetting naar Algerije, mede onderbouwd met recente cijfers en voortgangsrapportages over het verkrijgen van een laissez passer. De minister heeft meerdere keren gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten en vertrekgesprekken gevoerd met eiser, die echter onvoldoende medewerking verleende.
De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende voortvarend handelt en dat er geen reden is om de bewaring op grond van belangenafweging te beëindigen. Ook ambtshalve toetsing wees uit dat de bewaring rechtmatig is, mede omdat het de eerste keer is dat eiser in bewaring is gesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.