Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14211

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
C/09/701658 / KG ZA 26-293
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen inzake terzijdelegging inschrijving aanbesteding kogelwerende vesten

Mehler Vario System GmbH heeft een kort geding aangespannen tegen de Politie vanwege de terzijdelegging van haar inschrijving in een Europese aanbestedingsprocedure voor kogel- en steekwerende vesten. Mehler betoogde dat de beoordeling van de wastest door het laboratorium [bedrijf] ondeugdelijk was en dat de Politie onvoldoende onderzoek had gedaan naar haar bezwaren en het testrapport van een ander laboratorium (WKS).

De rechtbank oordeelde dat Mehler door ondertekening van het Uniform Europees Aanbestedingsdocument akkoord was gegaan met de beoordelingsmethodiek en dat zij haar bezwaren eerder had moeten kenbaar maken. Het Onderzoeksverslag van [bedrijf] voldeed aan de toepasselijke EN-ISO-normen en de Politie had voldoende gemotiveerd dat de terzijdelegging van de inschrijving terecht was.

Verder was er geen aanleiding voor nader onderzoek naar belangenverstrengeling of voor het toestaan van herbeoordeling door een ander laboratorium. De vorderingen van Mehler werden afgewezen, evenals de vorderingen van Sioen, die als tussenkomende partij was toegelaten. Mehler werd veroordeeld in de proceskosten van zowel de Politie als Sioen.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van Mehler af en bevestigt de rechtmatigheid van de voorlopige gunningsbeslissing van de Politie.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/701658 / KG ZA 26-293
Vonnis in kort geding van 28 mei 2026
in de zaak van
MEHLER VARIO SYSTEM GMBHte Fulda (Duitsland),
eiseres,
advocaten mr. J.I. Kohlen en mr. T. Beetstra, beiden te Den Haag,
tegen:
POLITIEte Den Haag,
gedaagde,
advocaten mr. I.J. van den Berge en mr. M.A. Visser, beiden te Zwolle,
waarin is tussengekomen:
SIOEN N.V.te Ardooie (België),
advocaten mr. J.H.J. Bax en mr. P.M. Smits, beiden te Rotterdam.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘Mehler’, ‘de Politie’ en ‘Sioen’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 20 maart 2026, met producties 1 tot en met 18;
- de akte overlegging nadere producties 19 en 20 van de zijde van Mehler;
- de incidentele conclusie tot tussenkomst, althans voeging van Sioen;
- de schriftelijke reactie van de Politie, met producties A tot en met C, waarvan B in een herziene versie;
- de door Sioen overgelegde producties 1 en 2;
- de akte uitlaten en overlegging aanvullende producties 21 tot en met 24 van de zijde van Mehler.
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 7 mei 2026. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de advocaten van Mehler en de Politie het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen. Deze maken deel uit van het dossier.
1.3.
Tijdens de zitting is de datum voor het wijzen van vonnis bepaald op vandaag.

2.Het incident tot tussenkomst, althans voeging

2.1.
Sioen heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen Mehler en de Politie, dan wel zich te mogen voegen aan de zijde van de Politie. Ter zitting hebben Mehler en de Politie verklaard geen bezwaar te hebben tegen de tussenkomst. Sioen is vervolgens toegelaten als tussenkomende partij, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft. Verder is niet gebleken dat de tussenkomst aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor ontstaat er ook geen strijd met de goede procesorde in het algemeen.

3.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
3.1.
Op 5 juni 2024 heeft de Politie op TenderNed een Europese openbare aanbestedingsprocedure aangekondigd voor de opdracht met de titel “Kogel- en steekwerend vest met Molle-draagsysteem (KSWV) & opschalingsmodule (OM)”, hierna ‘de opdracht’. Het KSWV, ook wel veiligheidsvest genoemd, is een essentieel onderdeel van het uniform en de verplichte uitrusting van bewapende politiemedewerkers en bestaat uit een hoes en beschermende soft ballistische inlagen. De OM is een platendrager met harde ballistische platen voor extra bescherming, die over het KSWV wordt gedragen. Het doel van de aanbestedingsprocedure is het sluiten van een raamovereenkomst met een looptijd van zes jaar, met de optie tot verlenging (drie keer drie jaren).
3.2.
De opdracht is nader omschreven in de Inschrijvingsleidraad van 13 februari 2025, hierna ‘de Inschrijvingsleidraad’, met bijlagen. Verder heeft de Politie in de Nota van Inlichtingen d.d. 13 juni 2024-13 juni 2025, hierna ‘de Nota van Inlichtingen’, vragen van potentiële inschrijvers beantwoord.
3.3.
In paragraaf 1.2 van de Inschrijvingsleidraad is vermeld dat het KSWV wordt geleverd met drie verschillende hoezen: een politieblauwe hoes met gele Huisstijlstrepen, een fluogele hoes met high-vis Huisstijlstrepen voor hoge zichtbaarheid in het verkeer en/of in het donker en een witte hoes voor onder de kleding voor verdekte activiteiten en werkzaamheden. Deze laatste hoes wordt na de gunning van de opdracht in samenspraak met de opdrachtnemer ontwikkeld.
3.4.
In paragraaf 1.4.4 van de Inschrijvingsleidraad is opgenomen:
3.5.
In Bijlage 1B bij de Inschrijvingsleidraad zijn de Producteisen met betrekking tot de hoezen, platendrager en transporttassen vermeld. Onderdeel 3 van deze bijlage ziet op de kwaliteitseisen (materialen) KSWV-hoezen. Voor zover voor deze procedure van belang gaat het daarbij om de volgende Producteisen (waarvan de eerste vier kolommen worden weergegeven):
De eerste kolom geeft het nummer weer, de tweede kolom de “Omschrijving”, de derde kolom de “Technische eis” en de vierde kolom geeft de “Testmethode/Norm/Wijze van controleren” weer. Vervolgens is per Producteis in respectievelijk de kolommen 6, 7 en 9 van de tabel vermeld dat de conformiteit aan de betreffende Producteis moet worden aangetoond door middel van Samples (kolom 6), die moeten worden ingediend bij inschrijving (kolom 7) en
“Niet conform is terzijde legging”(kolom 9).
3.6.
In hoofdstuk 2 van de Inschrijvingsleidraad is beschreven dat Fase 1 van de beoordeling van de inschrijvingen bestaat uit de
“Technische beoordeling of Product voldoet aan Producteisen (inclusief een wastest)”, dat per inschrijving vijf Samples van het KSWV (alleen de politieblauwe en fluogele hoezen) een wastest ondergaan zonder soft ballistische inlage en dat alleen inschrijvingen waarvan de Samples de wastest met een positief resultaat doorstaan en die aan alle andere aan de inschrijving gestelde eisen en Producteisen voldoen, voor beoordeling van de gunningscriteria in Fase 2 in aanmerking komen.
3.7.
In paragraaf 3.2.1 van de Inschrijvingsleidraad is onder meer vermeld dat de inschrijver door een rechtsgeldig ondertekende Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA) verklaart dat hij akkoord gaat met al het gestelde in de aanbestedingsstukken. In paragraaf 5.2 van de Inschrijvingsleidraad is meegedeeld dat de Politie een proactieve houding van de inschrijvers verwacht en dat eventuele onduidelijkheden, onvolkomenheden of tegenstrijdigheden in de aanbestedingsstukken uiterlijk op 30 mei 2025 moeten worden gemeld, waarna de inschrijvers hun recht verliezen om alsnog bezwaar te maken tegen (de gevolgen van) eventuele schendingen van het (aanbestedings)recht en geacht worden onverkort en onvoorwaardelijk met de inhoud van die stukken te hebben ingestemd.
3.8.
Uit de antwoorden op de vragen 212 en 217 van de Nota van Inlichtingen volgt dat de testen van de Samples worden ondergebracht bij het EN-ISO 17025-geaccrediteerde laboratorium [bedrijf] , gevestigd in [vestigingsplaats] (hierna ‘ [bedrijf] ’), dat de testen die dit laboratorium zelf onder accreditatie kan testen door haar worden uitgevoerd en dat de testen die dit laboratorium niet zelf onder accreditatie kan testen zullen worden ondergebracht bij een ander EN-ISO 17025-geaccrediteerd laboratorium.
3.9.
Mehler heeft tijdig een inschrijving voor de opdracht ingediend. Bij brief van 25 februari 2026 heeft de Politie aan Mehler kenbaar gemaakt dat de inschrijving van Mehler terzijde is gelegd, dat Mehler is uitgesloten van verdere deelname aan de aanbestedingsprocedure en dat de Politie voornemens is de opdracht te gunnen aan Sioen (hierna ‘de voorlopige gunningsbeslissing’). In de voorlopige gunningsbeslissing heeft de Politie aan Mehler meegedeeld dat tijdens de controle/beoordeling door [bedrijf] is geconstateerd dat drie van de vijf door Mehler ingeleverde Samples 3-4 scoren met betrekking tot de Producteisen 3.28 en 3.30. Voor de onderbouwing van de beoordeling heeft de Politie in de voorlopige gunningsbeslissing verwezen naar Bijlage 2 bij de voorlopige gunningsbeslissing, te weten het verslag van het op 4 september 2025 door [bedrijf] uitgevoerde onderzoek, hierna ‘het Onderzoeksverslag’. Verder heeft de Politie er in de voorlopige gunningsbeslissing op gewezen dat de beoordeling volledig geanonimiseerd heeft plaatsgevonden en dat daartoe aan de Samples van Mehler de letter ‘P’ is toegekend.
3.10.
In het Onderzoeksverslag heeft [bedrijf] de onderzoeksresultaten met betrekking tot de door Mehler (inschrijver ‘P’) ingediende Samples vermeld.
3.11.
Bij brief van 3 maart 2026 heeft Mehler aan de Politie kenbaar gemaakt dat zij zich niet kan verenigen met de terzijdelegging van haar inschrijving en haar uitsluiting van verdere deelname aan de aanbestedingsprocedure. In die brief heeft Mehler aan de Politie meegedeeld dat zij de fluogele stof van haar Samples heeft ingekocht bij een gerenommeerde leverancier (Utexbel), dat zij deze stof heeft laten testen door een onafhankelijk laboratorium, te weten WKS Labservice in Duitsland (hierna ‘WKS’), en dat die test een score van 4-5 laat zien. Ter onderbouwing heeft Mehler een testrapport van WKS van 25 april 2025 als bijlage bij de brief aan de Politie toegestuurd. Verder heeft Mehler er in de brief op gewezen dat Sioen haar producten regelmatig door [bedrijf] laat testen, zodat [bedrijf] bekend is met de producten en materialen van Sioen, en dat Mehler zich daarom afvraagt of bij de beoordeling van de Samples sprake is geweest van een gelijke behandeling van de inschrijvers. Ten slotte heeft Mehler de Politie gevraagd om de voorlopige gunningsbeslissing in te trekken en om de procedure met betrekking tot de wastest te verduidelijken door het beantwoorden van de in de brief vermelde vragen en heeft zij verzocht om de Samples aan Mehler te retourneren, zodat zij deze kan laten controleren door een onafhankelijk laboratorium.
3.12.
In reactie op de in 3.11. bedoelde brief van Mehler heeft de Politie bij brief van 9 maart 2026 aan Mehler meegedeeld dat de Politie de voorlopige gunningsbeslissing niet zal intrekken, dat de beoordeling van alle inschrijvingen correct en conform de in de aanbestedingsstukken voorgeschreven procedures heeft plaatsgevonden en dat de voorlopige gunningsbeslissing voldoende is gemotiveerd. Daarbij heeft de Politie onder meer toegelicht dat er geen reden is om te twijfelen aan de integriteit van [bedrijf] , omdat [bedrijf] een onafhankelijk geaccrediteerd laboratorium is, dat de testen geanonimiseerd hebben plaatsgevonden, dat alle testen exclusief bij [bedrijf] zijn uitgevoerd en dat Mehler de ongewassen Samples retour kan krijgen. Verder heeft de Politie opgemerkt dat niet te controleren is welke stoffen Mehler door WKS heeft laten testen en heeft zij de door Mehler in haar brief van 3 maart 2026 gestelde vragen beantwoord. Daarbij heeft de Politie onder meer het volgende geanonimiseerde overzicht van de scores van de inschrijvers met betrekking tot de Producteisen 3.28 en 3.30 opgenomen:
Ten slotte heeft de Politie voor zover voor deze procedure van belang het volgende in de brief vermeld:
3.13.
Mehler heeft op 18 maart 2026 via het digitale platform Mercell een bericht aan de Politie gestuurd, waarin zij een tweetal punten uit haar brief van 3 maart 2026 heeft verduidelijkt. Daarbij heeft zij er op gewezen dat zij een fluogeel vest uit dezelfde batch als de Samples door WKS heeft laten testen en dat Mehler naast de ongewassen Samples ook de gewassen Samples wil kunnen inspecteren, om de Politie ervan te overtuigen dat de terzijdelegging van de inschrijving van Mehler onterecht is geweest.

4.Het geschil

4.1.
Mehler vordert – zakelijk weergegeven –
primairde Politie te gebieden om de voorlopige gunningsbeslissing in te trekken en de terzijdelegging van de inschrijving van Mehler ongedaan te maken, Mehler toe te laten tot Fase 2 en haar inschrijving volledig te beoordelen in overeenstemming met hoofdstuk 2 van de Inschrijvingsleidraad;
subsidiairde Politie te gebieden om de voorlopige gunningsbeslissing in te trekken, evenals de terzijdelegging van de inschrijving van Mehler, vijf van de door Mehler ingediende fluogele hoezen opnieuw te laten beoordelen door middel van een wastest bij een EN-ISO 17025-geaccrediteerde instantie, anders dan [bedrijf] , deze resultaten in de plaats te stellen van het Onderzoeksverslag en mee te wegen in de beoordeling van de inschrijving van Mehler en, als is bevestigd dat Mehler aan de Producteisen in Fase 1 voldoet, Mehler toe te laten tot Fase 2 en de inschrijving van Mehler volledig te beoordelen in overeenstemming met hoofdstuk 2 van de Inschrijvingsleidraad, waarbij de Politie moet waarborgen dat de Gebruikerstest anoniem en zonder vooringenomenheid zal plaatsvinden en
meer subsidiairde Politie te gebieden om de voorlopige gunningsbeslissing in te trekken en tot heraanbesteding over te gaan, voor zover de Politie de opdracht nog wil aanbesteden, althans een in goede justitie te bepalen andere voorziening te treffen, een en ander met veroordeling van de Politie in de proceskosten.
4.2.
Daartoe stelt Mehler – samengevat – het volgende. De Politie heeft de inschrijving van Mehler terzijde gelegd, omdat deze volgens de Politie niet aan de Producteisen 3.28 en 3.30 voldoet. Mehler heeft echter twijfels over de manier waarop de wastest is uitgevoerd en hoe [bedrijf] tot haar eindoordeel is gekomen. Het door [bedrijf] opgestelde Onderzoeksverslag is ondeugdelijk gemotiveerd en niet te controleren. Daarmee voldoet de voorlopige gunningsbeslissing niet aan de vereiste normen van zorgvuldigheid en een deugdelijke motivering en deze kan de terzijdelegging van de inschrijving van Mehler dan ook niet dragen. Verder heeft de Politie gehandeld in strijd met haar zorgvuldigheids- en motiveringsplicht door na te laten om nader onderzoek te doen naar de uitkomst van de wastest. Mehler heeft immers het testrapport van WKS aan de Politie verstrekt, waaruit blijkt dat het fluogele vest van Mehler wel voldoet aan de Producteisen. De Politie had Mehler in ieder geval in de gelegenheid moeten stellen om de testresultaten van [bedrijf] te controleren. Ten slotte had de Politie moeten onderzoeken en bevestigen dat er geen (schijn van) belangenverstrengeling is (geweest) bij [bedrijf] in het kader van het uitvoeren van de wastest.
4.3.
De Politie concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Mehler in haar vorderingen, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van Mehler in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het verweer van de Politie zal hierna, voor zover nodig, worden besproken.
4.4.
Sioen concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Mehler, althans tot afwijzing van de vorderingen van Mehler. Ook het verweer van Sioen zal hierna, voor zover nodig, worden besproken. Verder vordert Sioen (1) Mehler te gebieden om te gehengen en te gedogen dat de Politie een overeenkomst met Sioen sluit, althans de opdracht definitief aan Sioen gunt, een en ander voor zover de Politie nog een overeenkomst wenst te sluiten, en (2) de Politie te gebieden om de gunningsbeslissing in stand te laten en de opdracht definitief aan Sioen te gunnen, een en ander voor zover de Politie nog een overeenkomst wenst te sluiten, met veroordeling van Mehler in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen de wettelijke rente, en met compensatie van proceskosten in de relatie tussen Sioen en de Politie.
4.5.
Verkort weergegeven stelt Sioen daartoe dat zij er belang bij heeft dat de opdracht definitief aan haar gegund wordt en dat zij daarom belang heeft bij afwijzing van de vorderingen van Mehler, nu die definitieve gunning daardoor in gevaar kan komen.
4.6.
Voor zover nodig zullen de standpunten van Mehler en de Politie met betrekking tot de vorderingen van Sioen hierna worden besproken.

5.De beoordeling van het geschil

5.1.
In deze procedure moet (samengevat) worden beoordeeld of er aanleiding bestaat om de Politie te verplichten om de voorlopige gunningsbeslissing in te trekken, om Mehler toe te laten tot Fase 2 en haar inschrijving volledig te beoordelen, althans om de fluogele hoezen van Mehler opnieuw te laten beoordelen en Mehler bij een positief resultaat toe te laten tot Fase 2, althans om de opdracht opnieuw aan te besteden. Daartoe zullen de door Mehler naar voren gebrachte bezwaren achtereenvolgens worden besproken.
Het Onderzoeksverslag en de motivering van de voorlopige gunningsbeslissing
5.2.
Mehler heeft gesteld dat de terzijdelegging van haar inschrijving onterecht is geweest, omdat deze niet is gebaseerd op een controleerbare en deugdelijke motivering. Volgens Mehler voldoet het Onderzoeksverslag niet aan de daarvoor geldende marktstandaarden, zodat het niet kan dienen als grondslag voor de terzijdelegging van de inschrijving van Mehler. Onder verwijzing naar een verklaring van Weber & Leucht, een EN-ISO 17025-geaccrediteerd laboratorium in Duitsland, heeft Mehler erop gewezen dat het met name bij fluogele vesten, vanwege de eigenschappen van de stof, essentieel is dat extra maatregelen worden genomen om tot een juiste testuitslag te komen, zoals bijvoorbeeld met betrekking tot de verlichting en de testomstandigheden, maar dat die aspecten en de omstandigheden waaronder de Samples zijn gedroogd en bewaard in het Onderzoeksverslag niet terugkomen. Daar komt volgens Mehler nog bij dat de door de Politie gekozen beoordelingsmethode, waarbij de kleurverandering wordt beoordeeld aan de hand van een grijsschaal, een subjectief element heeft, waardoor extra waarborgen zijn vereist die niet uit het Onderzoeksverslag blijken. Verder heeft Mehler uiteengezet dat uit diverse deskundigenverklaringen, die zij als producties in het geding heeft gebracht, volgt dat elke laboratoriummethode een meetonzekerheid kent, die over het algemeen 0,5 punt bedraagt, zodat de door Mehler behaalde score van 3-4 (met een grenswaarde van 4) alsnog als een voldoende moet worden beschouwd. Met betrekking tot de in het Onderzoeksverslag opgenomen foto’s heeft Mehler opgemerkt dat deze geen duiding geven en daarom niet kunnen bevestigen of de wastest juist is uitgevoerd. Ten slotte heeft Mehler tijdens de mondelinge behandeling nog gesteld dat onduidelijk is welk Sample [bedrijf] als origineel heeft gebruikt voor de vergelijking met de vijf gewassen Samples, omdat alle door Mehler speciaal ten behoeve van de wastest ingediende Samples door [bedrijf] zijn gewassen, dat niet duidelijk is of [bedrijf] een vergelijking heeft gemaakt tussen de gewassen Samples en dat evenmin duidelijk uit het Onderzoeksverslag blijkt dat en op welke wijze de testen door twee ervaren beoordelaars zijn uitgevoerd.
5.3.
In paragraaf 1.4.4 van de Inschrijvingsleidraad is vermeld dat tijdens de technische beoordeling een wastest met de politieblauwe en fluogele hoezen wordt uitgevoerd en in hoofdstuk 2 van de Inschrijvingsleidraad is toegelicht dat die wastest wordt gedaan met het oog op de beoordeling van de inschrijvingen op de Producteisen. Vervolgens zijn de Producteisen beschreven in Bijlage IB bij de Inschrijvingsleidraad, voor deze kortgedingprocedure meer in het bijzonder de Producteisen 3.28 tot en met 3.31, waarbij is vermeld dat de conformiteit aan de Producteisen bij de inschrijving door middel van Samples moet worden aangetoond en dat de inschrijving terzijde wordt gelegd als deze niet conform is (zie hiervoor in randnummer 3.5.). De Politie heeft onbetwist aangevoerd dat Mehler weliswaar een vraag heeft gesteld over het aanleveren van de Samples ten behoeve van de wastest, maar dat zij geen vragen heeft gesteld over de in dit onderdeel van de Producteisen beschreven testmethode, de toepasselijke norm en de wijze van controleren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de Politie er in dit verband, onder verwijzing naar paragraaf 3.2.1 en paragraaf 5.2 van de Inschrijvingsleidraad, terecht op gewezen dat Mehler door een UEA te ondertekenen akkoord is gegaan met de inhoud van de aanbestedingsstukken, waaronder de beoordelingsmethodiek zoals weergegeven in de vierde kolom van onderdelen 3.28 tot en met 3.31 van Bijlage 1B, en dat Mehler haar bezwaren met betrekking tot de daar beschreven wijze waarop de wastest zou worden uitgevoerd, inclusief de toepasselijke normen zoals vermeld in de Producteisen 3.28 tot en met 3.31 , eerder aan de Politie kenbaar had moeten maken, dan wel voorafgaand aan de inschrijving in een kortgedingprocedure aan de orde had moeten stellen. Dat geldt ook voor de voor het eerst in deze procedure door Mehler naar voren gebrachte bezwaren tegen het Onderzoeksverslag. De Politie heeft er terecht op gewezen dat in de toepasselijk verklaarde norm EN-ISO 6330:2021 in paragraaf 11 voorschriften zijn opgenomen ten aanzien van het opstellen van de onderzoeksrapportage en dat Mehler ook daarover op voorhand niet heeft geklaagd en daar ook geen vragen over heeft gesteld. Het voorgaande betekent dat Mehler haar rechten heeft verwerkt voor zover zij heeft gesteld dat het Onderzoeksverslag, en naar de voorzieningenrechter begrijpt, daarmee ook het onderzoek zelf, niet voldoet aan de geldende marktstandaarden, dat in het Onderzoeksverslag ontbreekt onder welke omstandigheden de Samples zijn getest, gedroogd en bewaard en dat in het Onderzoeksverslag niet is vermeld of extra waarborgen zijn ingebouwd om een subjectief element bij de beoordeling van kleurveranderingen te ondervangen.
5.4.
Voor zover de door Mehler geuite bezwaren zien op de vraag of de wastest zorgvuldig en in overeenstemming met de aanbestedingsstukken is uitgevoerd en op de vraag of haar inschrijving op basis van de resultaten van de wastest terzijde mocht worden gelegd, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
5.5.
De Politie heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende onderbouwd dat het Onderzoeksverslag voldoet aan de daaraan op grond van de toepasselijke EN-ISO-normen gestelde eisen en dat het enkele ontbreken van bepaalde elementen in het Onderzoeksverslag, zoals het aantal getrainde beoordelaars dat de meting heeft verricht en of er tussen hen consensus was, anders dan Mehler heeft gesuggereerd, niet betekent dat moet worden getwijfeld aan de juistheid of de zorgvuldigheid van dat verslag. Daar komt nog bij dat de Politie heeft toegelicht dat de toepasselijke EN-ISO-normen niet voorschrijven dat de wastest door twee beoordelaars wordt uitgevoerd en dat de Politie alleen uit zorgvuldigheid heeft gekozen voor een ‘review’ van het oordeel van de beoordelaar door een tweede beoordelaar.
5.6.
Verder heeft de Politie uiteengezet dat de oorspronkelijk norm in Producteis 3.28, inhoudende dat na de uitgevoerde wastest minimaal vier hoezen zonder Molle-draagysteem een score van 4-5 of hoger moesten hebben en dat één hoes de score 4 mocht hebben, overeenkomstig Producteis 3.28 is aangepast naar een score van minimaal 4 voor vijf hoezen, omdat de Samples van vijf inschrijvers de oorspronkelijk norm niet haalden. De Politie heeft daarbij voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de mogelijke gevolgen van een meetonzekerheid al heeft ondervangen door het aanpassen van de norm, dat de mogelijkheid daartoe transparant aan de inschrijvers bekend is gemaakt in Producteis 3.28 en dat het opnieuw aanpassen van de norm, zoals Mehler nu voorstelt, alleen al niet mogelijk is omdat daarmee sprake zou zijn van schending van het transparantie- en het gelijkheidsbeginsel ten opzichte van partijen die dachten de norm niet te kunnen halen en daarom hebben afgezien van inschrijving. Hiertegenover heeft Mehler onvoldoende concreet gemaakt dat de Politie in strijd handelt met het zorgvuldigheidsbeginsel door de in het Onderzoeksverslag vermelde testuitslagen tot uitgangspunt te nemen en deze niet te corrigeren en heeft zij onvoldoende gesteld ter rechtvaardiging van haar standpunt dat haar score 3-4 alsnog als ‘voldoende’ moet worden beschouwd.
5.7.
Met betrekking tot de stelling van Mehler dat de in het Onderzoeksverslag opgenomen foto’s geen duiding geven en niet laten zien dat de wastest op de juiste wijze is uitgevoerd, overweegt de voorzieningenrechter dat de Politie in dit verband voldoende heeft onderbouwd dat het Onderzoeksverslag op grond van de toepasselijke EN-ISO-normen geen foto’s hoefde te bevatten en dat [bedrijf] de foto’s onverplicht in het Onderzoeksverslag heeft opgenomen. Daarbij heeft de Politie toegelicht dat die foto’s niet bedoeld zijn om de resultaten van de test te verifiëren, maar als extra waarborg om aan de Politie te laten zien dat het geteste vest hoort bij de geanonimiseerde inschrijver ‘P’, te weten Mehler. Aan deze stelling van Mehler wordt dan ook voorbijgegaan.
5.8.
Ten slotte heeft de Politie tegenover het betoog van Mehler dat onduidelijk is welk Sample [bedrijf] als origineel heeft gebruikt voor de vergelijking met de vijf gewassen Samples voldoende onderbouwd dat Mehler meerdere Samples heeft aangeleverd, waarvan er vijf specifiek bedoeld waren voor de wastest, en dat een Sample uit de overige niet specifiek voor de wastest door Mehler ingediende Samples is gebruikt om de gewassen Samples mee te vergelijken. Tussen partijen is niet in geschil dat alle ingediende Samples aan de Producteisen moesten voldoen, ongeacht of zij bedoeld waren voor de wastest of niet. Bij die stand van zaken valt niet in te zien waarom de Politie als vergelijkingsvest niet een Sample mocht gebruiken dat Mehler niet specifiek voor de wastest had ingediend. Bovendien heeft Mehler nagelaten om voorafgaand aan de inschrijving vragen te stellen over het vergelijkingsvest, terwijl dit gelet op het bepaalde met betrekking tot rechtsverwerking in de paragrafen 3.2.1 en 5.2 van de Inschrijvingsleidraad wel op haar weg had gelegen. Ook dit argument kan Mehler daarom niet baten.
5.9.
Tegen de achtergrond van het voorgaande heeft Mehler niet aannemelijk gemaakt dat het Onderzoeksverslag gebrekkig of in strijd met de aanbestedingsstukken is en evenmin dat dit de conclusie van terzijdelegging van haar inschrijving niet kan dragen.
Nader onderzoek?
5.10.
Mehler heeft betoogd dat het door haar aan de Politie verstrekte testrapport van WKS voor de Politie aanleiding had moeten zijn om nader onderzoek te doen naar de in het Onderzoeksverslag vermelde resultaten en de door [bedrijf] uitgevoerde wastest en daarmee naar de vraag of de terzijdelegging van de inschrijving van Mehler in stand kan blijven. Daarnaast heeft Mehler gesteld dat de Politie haar in ieder geval in de gelegenheid had moeten stellen om haar gewassen Samples, althans twee ongewassen Samples, te controleren om de uitkomst van de wastest te verifiëren of door een andere geaccrediteerde instantie te laten overdoen. Volgens Mehler zou zij aan de hand van die Samples kunnen aantonen dat haar inschrijving wel aan de Producteisen voldoet. De Politie heeft op dit punt onzorgvuldig gehandeld, te meer omdat een andere inschrijver zijn (gewassen) Samples wel heeft mogen inspecteren, aldus Mehler.
5.11.
De Politie heeft voldoende onderbouwd dat zij op basis van het door Mehler als bijlage bij haar brief van 3 maart 2026 aan de Politie verstrekte testrapport van WKS geen nader onderzoek hoefde te doen naar de uitkomst van de door [bedrijf] uitgevoerde wastest.
De voorzieningenrechter acht in dit verband relevant dat de Politie erop heeft gewezen dat WKS maar één vest heeft getest, in plaats van de vijf vesten die door [bedrijf] zijn getest, zodat niet aannemelijk is dat het door WKS opgestelde rapport voldoende representatief is. Daar komt nog bij dat WKS een ander Sample heeft getest dan de Samples die Mehler bij de Politie heeft ingediend. Hoewel Mehler heeft gesteld dat het door WKS geteste Sample afkomstig is uit dezelfde batch als de Samples die [bedrijf] heeft getest, kan niet worden uitgesloten dat sprake is van verschillen die tot een afwijkend resultaat hebben geleid. Daarmee is het door WKS opgestelde testrapport niet in voldoende mate vergelijkbaar met het testrapport van [bedrijf] en alleen al daarom hoefde de Politie naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen acht te slaan op het testrapport van WKS of nader onderzoek te doen naar de door [bedrijf] uitgevoerde wastest.
5.12.
Anders dan Mehler heeft gesteld valt evenmin in te zien op grond waarvan de Politie gehouden was om Mehler in de gelegenheid te stellen om gewassen en ongewassen Samples te (laten) onderzoeken, om zo de testresultaten van [bedrijf] te verifiëren en de Politie ervan te overtuigen dat de inschrijving van Mehler niet terzijde had mogen worden gelegd. De Politie heeft voldoende toegelicht dat de gewassen Samples bij de Politie moeten blijven in verband met een eventuele (interne) controle of audit, en dat het verstrekken van Samples aan Mehler hoe dan ook niet tot geldigheid van de inschrijving van Mehler kan leiden, omdat door de Politie niet kan worden gecontroleerd of Mehler daadwerkelijk de van de Politie retour ontvangen Samples laat testen en evenmin aan de hand van welke methode dat zou zijn gebeurd. Tegenover de stelling van Mehler dat een andere inschrijver wel de gelegenheid heeft gekregen om Samples te inspecteren heeft de Politie genoegzaam uiteengezet dat de betreffende inschrijver op de politielocatie gewassen Samples heeft bekeken en dat de Samples ook aan die inschrijver niet ter beschikking zijn gesteld. Hiertegenover heeft Mehler niet aannemelijk gemaakt dat de Politie, zoals Mehler heeft gesteld, met twee maten meet.
Onderzoek naar belangenverstrengeling?
5.13.
Ten slotte heeft Mehler betoogd dat [bedrijf] een structurele commerciële relatie met Sioen onderhoudt en dat zij uit de markt heeft begrepen dat Sioen haar wastesten regelmatig door [bedrijf] laat uitvoeren. Volgens Mehler heeft zij de Politie hier op gewezen, maar heeft de Politie nagelaten om nader onderzoek te doen om (de schijn van) belangenverstrengeling, vooringenomenheid of willekeur te voorkomen. Verder heeft Mehler gesteld dat zij haar twijfels heeft met betrekking tot de anonimiteit van de uitgevoerde wastest, omdat [bedrijf] gelet op haar relatie met Sioen waarschijnlijk in staat is geweest om aan de hand van de constructie, de materiaalsamenstelling en de afwerking de herkomst van het vest van Sioen vast te stellen, waardoor Sioen in deze aanbestedingsprocedure mogelijk een oneigenlijk voordeel heeft gehad.
5.14.
De Politie heeft allereerst terecht naar voren gebracht dat Mehler, hoewel zij er gelet op de antwoorden op de vragen 212 en 217 in de Nota van Inlichtingen (zie hiervoor in randnummer 3.8.) mee bekend kon zijn dat [bedrijf] de wastest zou uitvoeren, dit punt pas na de inschrijvingsdatum heeft opgeworpen, zodat de Politie daarmee eerder geen rekening heeft kunnen houden. Daarnaast heeft de Politie aangevoerd dat de stelling van Mehler bovendien is gebaseerd op niet-onderbouwde vermoedens en aannames en dat Mehler daarmee geen objectieve gegevens heeft verstrekt op grond waarvan aan de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van [bedrijf] moet worden getwijfeld. Ten slotte heeft de Politie voldoende onderbouwd dat de wastest anoniem heeft plaatsgevonden door het toekennen van de letters D, H, J, O, P, Q en R aan de van de diverse inschrijvers afkomstige Samples en dat de test is verricht door een geaccrediteerd onderzoekslaboratorium, waarbij die accreditatie waarborgt dat de test onafhankelijk en onpartijdig wordt uitgevoerd.
5.15.
Hiertegenover heeft Mehler niet aannemelijk gemaakt dat aan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van [bedrijf] moest worden getwijfeld. Bij die stand van zaken bestaat voor een nader onderzoek door de Politie geen aanleiding.
Slotsom en proceskosten
5.16.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vorderingen van Mehler worden afgewezen.
5.17.
Nu de Politie voornemens is de opdracht ook definitief te gunnen aan Sioen, brengt voormelde beslissing mee dat Sioen geen belang (meer) heeft bij toewijzing van haar vorderingen, zodat deze worden afgewezen. Sioen zal worden veroordeeld in de kosten van de Politie, welke kosten worden begroot op nihil, nu niet is gebleken dat de Politie als gevolg van deze vorderingen extra kosten heeft moeten maken. Ondanks de afwijzing moet Mehler in haar verhouding tot Sioen worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het doel van Sioen was immers te voorkomen dat de opdracht aan Mehler zou worden gegund, welk doel is bereikt. Mehler zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten van Sioen. Verder zal Mehler, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de Politie.
5.18.
De proceskosten van zowel de Politie als Sioen worden begroot op:
- griffierecht
735,--
- salaris advocaat
1.177,--
- nakosten
€ 189,--
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,--
5.19.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter:
6.1.
wijst het gevorderde af;
6.2.
veroordeelt Sioen voor wat betreft de door haar ingestelde vorderingen tegen de Politie in de kosten van de Politie, tot dusver begroot op nihil;
6.3.
veroordeelt Mehler in de overige proceskosten van zowel de Politie als Sioen, ten behoeve van zowel de Politie als Sioen begroot op € 2.101,--, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Mehler niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Mehler € 98,-- extra aan de betreffende partij betalen, plus de kosten van betekening;
6.4.
veroordeelt Mehler in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
6.5.
verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.
mvt