Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14210

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
26/1079
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 18, eerste lid, Pw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening bijzondere bijstand voor hotelovernachtingen wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de afwijzing van haar aanvragen voor bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet voor hotelovernachtingen in de periode februari tot en met september 2025. Het college van burgemeester en wethouders van Leiden had deze aanvragen afgewezen en was bij bezwaar bij die beslissing gebleven.

De voorzieningenrechter heeft beoordeeld of er sprake is van onverwijlde spoed, zoals vereist voor het treffen van een voorlopige voorziening. Omdat het een financieel geschil betreft, is dat niet snel het geval. Verzoekster stelde dat haar aanhoudende dakloosheid en de financiële gevolgen daarvan spoedeisend zijn, en dat het een zeer uitzonderlijk geval betreft.

De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoekster alle hotelovernachtingen in de betreffende periode reeds had betaald, waardoor geen spoedeisend belang bestaat voor de gevraagde voorziening. Daarnaast is niet aannemelijk gemaakt dat verzoekster geen gebruik kan maken van de gemeentelijke opvangvoorzieningen. Het verzoek om voorlopige voorziening is daarom afgewezen.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan op 30 maart 2026 en er staat geen hoger beroep of verzet open tegen deze uitspraak.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/1079

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. J. Ruijs),
en

het college van burgemeester en wethouders gemeente Leiden, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Bergacker).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing van haar aanvragen voor bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) voor de kosten van hotelovernachtingen in de periode februari tot en met september 2025.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvragen met het besluit van 19 september 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 12 januari 2026 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvragen gebleven. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Bij besluit van 9 februari 2026 heeft verweerder een vervangingsbeslissing genomen en de motivering in het bestreden besluit hersteld, omdat er een fout in zat.
1.3.
Verweerder heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van verweerder.
1.5.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter direct uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
2.1.
Verzoekster voert hierover aan dat sprake is van spoed vanwege haar aanhoudende dakloosheid. Het bestreden besluit heeft tot gevolg dat zij geld tekort komt en rood staat. Volgens verzoekster is bovendien sprake van een zeer uitzonderlijk geval. Daarbij heeft verzoekster gewezen op de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat zij uit haar (huur)woning is gezet.
2.2.
De voorzieningenrechter stelt vast dat blijkens de stukken alle hotelovernachtingen in de in geding zijnde periode door verzoekster zijn betaald. Reeds hierom is er geen spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening, althans voor zover het de kosten van de in geding zijnde hotelovernachtingen betreft. Voor zover verzoekster meent dat haar uitkering niet toereikend is, kan zij verweerder verzoeken om de uitkering af te stemmen op haar omstandigheden, mogelijkheden en middelen. [1] Op een besluit van verweerder daarover kan thans niet worden vooruitgelopen. Verzoekster dient er rekening mee te houden dat verweerder niet bereid is om de kosten van hotelovernachtingen te vergoeden, gezien de aanwezigheid van opvang voor daklozen in de gemeente Leiden. Vooralsnog is niet aannemelijk dat verzoekster van die voorziening geen gebruik kan maken.
2.3.
Gelet op het vorenstaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026 door mr. C.J. Waterbolk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.P.A. Stok, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
de voorzieningenrechter is verhinderdom deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 18, eerste lid, van de Pw maakt dit mogelijk.