Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14202

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
C/09/702278 / KG ZA 26-325
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen grond voor verwijdering van gedetineerde van GVM-lijst na beoordeling veiligheidsrisico

De gedetineerde is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf voor ernstige misdrijven en sinds 2019 opgenomen op de GVM-lijst vanwege een hoog liquidatierisico. Na een recente herbeoordeling handhaaft de selectiefunctionaris zijn status als risicogedetineerde, mede gebaseerd op zijn strafrechtelijke verleden en mogelijke belastende verklaringen in lopende zaken.

De gedetineerde vordert verwijdering van de GVM-lijst, stellende dat de informatie waarop de status is gebaseerd verouderd en onvoldoende concreet is. Hij wijst op het ontbreken van recente incidenten en betwist het liquidatierisico. De Staat verdedigt de handhaving met verwijzing naar de ruime beoordelingsvrijheid van de selectiefunctionaris en het inherente risico binnen het criminele milieu.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de selectiefunctionaris in redelijkheid tot handhaving heeft kunnen besluiten. Het ontbreken van nieuwe incidenten betekent niet dat het risico is verdwenen, mede gelet op de aard van de veroordeling en het criminele netwerk. De gedetineerde wordt in het ongelijk gesteld en veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot verwijdering van eiser van de GVM-lijst af en bevestigt de handhaving van zijn risicostatus.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/702278 / KG ZA 26-325
Vonnis in kort geding van 13 mei 2026
in de zaak van
[eiser], gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats] ,
eiser,
advocaat mr. E.A. Blok te Rotterdam,
tegen:
DE STAAT DER NEDERLANDEN(Ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag,
gedaagde,
advocaten mr. M.N. Schouten en mr. L. Sieverink, beiden te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 april 2026, met producties 1 (bestaande uit drie delen), 2 (bestaande uit vijf delen) en 3 tot en met 6;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 12.
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 30 april 2026. Tijdens de mondelinge behandeling hebben mr. Blok en mr. Schouten het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen. Van hetgeen voor het overige aan de orde is gekomen heeft de griffier zakelijke aantekeningen gemaakt.
1.3.
Tijdens de zitting is de datum voor het wijzen van vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Bij vonnis van 5 juli 2022 is [eiser] door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf vanwege (onder meer en samengevat) het medeplegen van (poging tot) uitlokking van medeplegen moord, medeplegen moord en leiding geven aan een criminele organisatie. Ook in het door [eiser] tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep is [eiser] bij arrest van 12 februari 2025 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. [eiser] heeft beroep in cassatie ingesteld tegen dit arrest. Daarop is nog niet door de Hoge Raad beslist.
2.2.
Sinds 5 september 2019 is [eiser] gedetineerd in het kader van de aan hem opgelegde levenslange gevangenisstraf. In oktober 2019 is hij voor het eerst besproken tijdens het Operationeel Overleg (hierna ‘OO’). Op grond van de destijds geldende GVM-Circulaire van 16 juli 2018 is [eiser] , overeenkomstig het advies van het OO, door de selectiefunctionaris op de (toenmalige) lijst van gedetineerden met een vlucht- of maatschappelijk risico (hierna ‘de GVM-lijst’) geplaatst. Die plaatsing was gebaseerd op de indicaties B ((vermoedens van) voortgezet crimineel handelen vanuit detentie) en C ((het risico op) liquidatie of bedreiging in detentie van of door de gedetineerde). Daarbij is aan [eiser] de GVM-status ‘hoog’ toegekend.
2.3.
Gedurende enige tijd is [eiser] vervolgens opgeschaald naar de Extra Beveiligde Inrichting (EBI), met een plaatsing op de GVM-lijst in de categorie ‘extreem’, vervolgens afgeschaald naar een Afdeling Intensief Toezicht (AIT) en inmiddels verblijft hij op een reguliere afdeling. De GVM-plaatsing van [eiser] is ieder half jaar door de selectiefunctionaris van het OO verlengd.
2.4.
Met ingang van 11 juni 2025 heeft de directeur een aantal veiligheidsmaatregelen aan [eiser] opgelegd. Het hiertegen op 23 juni 2025 door [eiser] ingediende klaagschrift is op 11 september 2025 door de beklagcommissie ongegrond verklaard.
2.5.
Per 1 november 2025 is een nieuwe GVM-circulaire (hierna ‘de Circulaire’) in werking getreden, die de Circulaire uit 2021 heeft vervangen. In de Circulaire worden twee categorieën onderscheiden: risicogedetineerden (RG) en hoogrisicogedetineerden (HRG). Deze categorieën zijn in de plaats gekomen van de categorieën ‘verhoogd’, ‘hoog’ en ‘extreem’. De status van risicogedetineerde kan worden toegekend door de selectiefunctionaris na een advies van het Overleg Risicogedetineerden (ORG), dat per 1 november 2025 in de plaats is gekomen van het OO.
2.6.
[eiser] is voor het laatst op 14 januari 2026 besproken in het ORG. Naar aanleiding daarvan is hem door de directeur onder meer het volgende schriftelijk meegedeeld:
2.7.
Vervolgens heeft de directeur op 16 januari 2026 diverse veiligheidsmaatregelen aan [eiser] opgelegd met betrekking tot (i) telefonie (waaronder ‘beperken belduur’), (ii) bezoek (waaronder ‘geen bezoek zonder toezicht (BZT)’), (iii) correspondentie, (iv) toezicht op beweging door de inrichting, (v) arbeid en (vi) vervoer. [eiser] heeft op 23 januari 2026 een verzoek tot schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging van die maatregelen ingediend bij de voorzitter van de beroepscommissie van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ), hierna ‘de voorzitter’. In een uitspraak van 29 januari 2026 heeft de voorzitter het verzoek van [eiser] afgewezen. De voorzitter heeft daarbij onder meer overwogen dat [eiser] volgens de directeur verklaringen in zijn strafzaak heeft afgelegd, die mogelijk belastend zijn in de nog lopende strafzaken, zodat er nog altijd een liquidatierisico ten aanzien van [eiser] bestaat en het noodzakelijk is om toezichtmaatregelen op te leggen voor de eigen veiligheid van [eiser] en vanwege de handhaving van de orde en veiligheid in de PI. Verder heeft de voorzitter er op gewezen dat het ORG tot oplegging van de maatregelen heeft geadviseerd en dat de directeur een eigen belangenafweging heeft gemaakt bij het nemen van zijn beslissing.
2.8.
In een uitspraak van 9 april 2026 heeft de beklagcommissie een op 30 januari 2026 door [eiser] ingediende klacht tegen de aan hem opgelegde toezichtmaatregelen gegrond verklaard en de directeur opgedragen om binnen veertien dagen een nieuwe goed gemotiveerde beslissing te nemen. De beklagcommissie heeft daarbij overwogen dat weliswaar uitgangspunt is dat een GVM-gedetineerde geen BZT wordt toegekend, maar dat de Circulaire ruimte biedt om van dat uitgangspunt af te wijken. In dat licht bezien heeft de directeur volgens de beklagcommissie onvoldoende gemotiveerd welke individuele belangenafweging is gemaakt om [eiser] niet te volgen in zijn wens om hem BZT toe te kennen, waarom BZT niet verantwoord is en welke mogelijke alternatieven zijn overwogen. Tegen de gegrondverklaring heeft de directeur op 24 april 2026 een beroepschrift ingediend bij de beroepscommissie van de RSJ. Verder heeft de directeur op dezelfde datum bij de voorzitter een verzoek ingediend tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de uitspraak van de beklagcommissie hangende de uitspraak op het beroepschrift. Op dit beroepschrift en dit verzoek is (voor zover de voorzieningenrechter bekend) nog niet beslist.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – de Staat te veroordelen om [eiser] van de GVM-lijst te verwijderen, op straffe van een dwangsom en te vermeerderen met de wettelijke rente, met veroordeling van de Staat in de proceskosten.
3.2.
Daartoe stelt [eiser] – samengevat – het volgende. De handhaving van [eiser] op de GVM-lijst in de categorie C berust niet op voldoende zwaarwegende actuele, concrete en verifieerbare informatie. Van een risico op liquidatie is met betrekking tot [eiser] geen sprake. Daarvoor bestaat geen enkele concrete aanwijzing. De informatie waar het ORG naar verwijst is gedateerd en deze kan daarom vanwege het tijdsverloop niet (meer) als basis dienen voor handhaving van de GVM-status van [eiser] . De (verlenging van de) plaatsing op de GVM-lijst heeft tot gevolg gehad dat aan [eiser] diverse toezichtmaatregelen zijn opgelegd die hem beperken in zijn mogelijkheden om contact te hebben met de buitenwereld, meer in het bijzonder voor wat betreft BZT en het kunnen bellen met zijn naasten. Door de GVM-status van [eiser] te handhaven handelt de Staat onrechtmatig ten opzichte van [eiser] en [eiser] heeft er belang bij dat hij zo snel mogelijk van de GVM-lijst wordt verwijderd.
3.3.
De conclusie van de Staat strekt tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het verweer van de Staat zal hierna, voor zover nodig, worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

Bevoegdheid en ontvankelijkheid
4.1.
[eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de Staat onrechtmatig ten opzichte van hem handelt door zijn plaatsing op de GVM-lijst te handhaven, zonder dat daarvoor voldoende indicaties aanwezig zijn. Daarom is de burgerlijke rechter, in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding, bevoegd om kennis te nemen van de vordering. Voor het opkomen tegen de handhaving op de GVM-lijst staat voor [eiser] geen andere rechtsgang open en daarom is hij in zijn vordering ook ontvankelijk. De Staat heeft dat ook niet bestreden.
Juridisch kader
4.2.
Plaatsing van gedetineerden op de GVM-lijst is geregeld in de Circulaire. De selectiefunctionaris beslist of de status van RG wordt toegekend na een advies van het ORG. Het ORG betrekt bij zijn advies in ieder geval de levensloop van de gedetineerde en aspecten als het strafrestant, het criminele verleden, signalen dat de gedetineerde van zins is zijn criminele activiteiten voort te zetten in detentie, incidenten die zijn voorgevallen tijdens (eerdere) detentie, het netwerk, de rol en status van de gedetineerde binnen een criminele organisatie en diens beschikbare financiële middelen. Op basis van aangeleverde informatie van de betrokken inrichting, het Gedetineerden Recherche Informatiepunt (GRIP), het Openbaar Ministerie en/of het Landelijk Bureau Inlichtingen & Veiligheid van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) maakt het ORG een inschatting van de ernst van de risico's. De selectiefunctionaris maakt vervolgens een individuele belangenafweging en beslist welk risicoprofiel wordt toegekend aan de gedetineerde. Gedetineerden die als RG zijn aangemerkt worden standaard na drie, zes of twaalf maanden opnieuw besproken en beoordeeld.
4.3.
Bij de beoordeling van de plaatsing van een gedetineerde op de GVM-lijst komt de selectiefunctionaris een ruime mate van beoordelingsvrijheid toe. De voorzieningenrechter moet het besluit van de selectiefunctionaris dan ook terughoudend toetsen. Voor ingrijpen door de voorzieningenrechter is slechts plaats als de selectiefunctionaris, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, in redelijkheid niet tot het besluit heeft kunnen komen om de gedetineerde, in dit geval [eiser] , als RG aan te merken.
Is handhaving van de plaatsing van [eiser] op de GVM-lijst gerechtvaardigd?
4.4.
[eiser] stelt dat de verlenging van zijn GVM-status is gebaseerd op gedateerde informatie die bovendien te algemeen van aard is. Volgens [eiser] wordt er in de meest recente rapportage van het ORG ter onderbouwing van zijn GVM-status gerefereerd aan zijn betrokkenheid bij (de voorbereiding van) meerdere liquidatiepogingen en de strafrechtelijke afwikkeling daarvan, meer in het bijzonder de verklaringen die [eiser] heeft afgelegd en die mogelijk belastend zijn in nog lopende strafzaken. Verder heeft de selectiefunctionaris bij zijn beslissing om de GVM-status van [eiser] te handhaven in aanmerking genomen dat [eiser] een levenslange gevangenisstraf uitzit. [eiser] bestrijdt dat sprake is van actuele, concrete aanwijzingen die het aannemen van het risico op liquidatie, dat aan zijn GVM-status ten grondslag ligt, rechtvaardigen. [eiser] heeft betwist dat hij belastende verklaringen heeft afgelegd die het risico op liquidatie vergroten, terwijl volgens hem evenmin sprake is van recente incidenten, concrete signalen of specifieke dreigingsinformatie, als gevolg waarvan moet worden aangenomen dat [eiser] daadwerkelijk het doelwit is van geweld.
4.5.
Zoals [eiser] terecht heeft gesteld heeft de selectiefunctionaris met betrekking tot het risico op liquidatie relevant geacht dat [eiser] is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Die veroordeling is gevolgd op het opsporingsonderzoek ERIS, dat was gericht op onder meer het in opdracht van anderen uitvoeren van liquidaties in een crimineel samenwerkingsverband, met als oogmerk het plegen en voorbereiden van liquidaties. De selectiefunctionaris heeft daarbij meegewogen dat [eiser] opdracht heeft gegeven aan de oprichter en hoogste leider van een ‘outlaw motorcycle gang’ om mensen te liquideren, dat hij verklaringen heeft afgelegd die mogelijk belastend zijn in strafzaken die nog lopen en dat vanuit die verklaringen nog altijd een liquidatierisico richting [eiser] wordt gezien. Dat deze informatie niet nieuw is, zoals [eiser] heeft gesteld, maakt niet dat deze vanwege tijdsverloop zijn relevantie heeft verloren. Volgens de Circulaire kan immers bij het maken van de risico-inschatting worden gekeken naar het strafrestant, de criminele carrière, de beschikbare financiële middelen, het netwerk van de gedetineerde en de rol van de gedetineerde binnen een criminele organisatie en/of samenwerkingsverband. Dat recente meldingen of incidenten ontbreken betekent niet zonder meer dat het risico op liquidatie is geweken. Daarbij kent de voorzieningenrechter gewicht toe aan de omstandigheid dat [eiser] is veroordeeld voor betrokkenheid bij een grootschalige strafzaak, waarin diverse levensdelicten zijn gepleegd. De Staat heeft er in dit verband op gewezen dat het binnen het criminele milieu waar het hier om gaat niet ondenkbaar is dat represailles worden genomen en dat ten aanzien van gedetineerden die actief betrokken zijn (geweest) bij de georganiseerde misdaad, zoals [eiser] , alleen al daarom een inherente/latente dreiging met betrekking tot (het risico op) liquidatie, geweld of bedreiging wordt verondersteld. De stelling van [eiser] dat er geen reële dreiging bestaat omdat hij geen belastende verklaringen over derden heeft afgelegd doet, ook indien hij inderdaad geen belastende verklaringen heeft afgelegd, dan ook niet af aan het risico dat [eiser] loopt om doelwit te worden van (een poging tot) liquidatie door een ander, het zogenoemde passieve liquidatierisico. Tegen die achtergrond is het oordeel van de selectiefunctionaris dat met betrekking tot [eiser] nog altijd sprake is van een liquidatierisico niet onbegrijpelijk.
4.6.
[eiser] heeft nog gesteld dat hij in detentie goed gedrag vertoont en dat hij hulp krijgt van zijn mentor. De voorzieningenrechter gaat aan dit betoog voorbij. De Staat heeft er immers terecht op gewezen dat de enkele omstandigheid dat de detentie van [eiser] op dit moment een positiever verloop kent, niet betekent dat de veiligheidsrisico’s zodanig zijn afgenomen dat monitoring door het ORG niet meer nodig is. Ter waarborging van de orde en veiligheid in de inrichting kunnen monitoring van het verloop van de detentie en het signaleren van veiligheidsrisico’s immers voor langere tijd noodzakelijk zijn en volgens het ORG is die noodzaak in de situatie van [eiser] nog niet verminderd.
4.7.
Voor toetsing van de rechtmatigheid van de door de directeur aan [eiser] opgelegde toezichtmaatregelen is in dit kort geding geen plaats. De beklagprocedure, die [eiser] ook heeft gevolgd, is daarvoor immers de geëigende weg.
Slotsom en proceskosten
4.8.
Het voorgaande betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat de selectiefunctionaris in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot handhaving van de plaatsing van [eiser] op de GVM-lijst in de categorie RG (voor indicatie C). Voor ingrijpen door de voorzieningenrechter bestaat daarom geen aanleiding, zodat het gevorderde wordt afgewezen.
4.9.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en hij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht
735
- salaris advocaat
1.177
- nakosten
€ 189
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101
4.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst het gevorderde af;
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de zijde van de Staat zijn begroot op € 2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.4.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.
mvt