Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14133

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
NL26.26361 en NL26.26964
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 VwArt. 5.1a VbArt. 94 lid 1 VwArt. 6 juncto Art. 14 SchengengrenscodeVerordening (EU) 2024/1356
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel grensdetentie

Eiser, met de Comorese nationaliteit, is op 19 april 2026 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege het grensbewakingsbelang. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde de zaak op 19 mei 2026.

Eiser voerde aan dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel, verwijzend naar de Schengengrenscode en de Screeningsverordening. De rechtbank oordeelde dat het opleggen van een lichter middel feitelijk toegang tot Nederland zou betekenen, wat het grensbewakingsbelang ondermijnt. Daarnaast bracht eiser geen concrete bijzondere omstandigheden aan die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.

De rechtbank concludeerde dat de minister terecht een vrijheidsontnemende maatregel heeft opgelegd en dat de motivering voldoende is. Het beroep werd ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en het tweede beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.26361 (beroep) en NL26.26964 (kennisgeving)

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E.P.A. Zwart),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).

Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Daarnaast heeft de minister de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.
De rechtbank heeft de beroepen op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen E. Nyembo. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Comorese nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedag] 1998.
2. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
3. Eiser betoogt dat de motivering van de minister waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel niet deugt. Eiser is bekend met de vaste jurisprudentie dat het grensbewakingsbelang in beginsel enkel kan worden veiliggesteld met het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel, omdat volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) het opleggen van een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat feitelijk toegang tot Nederland wordt verkregen. Dat standpunt berust volgens eiser echter op een onjuist uitgangspunt, nu uit artikel 6 juncto Pro artikel 14 van Pro de Schengengrenscode (SGC) volgt dat hij bij het opleggen van een minder dwingende maatregel nog steeds geen toegang tot Nederland zou hebben verkregen. Steun voor die uitleg vindt eiser ook in de Screeningsverordening [1] , omdat daaruit ook volgt dat de vreemdeling nog steeds geen toegang tot het grondgebied verkrijgt als een lichter middel wordt toegepast. De maatregel lijdt daarom aan een motiveringsgebrek, aldus eiser.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat eisers beroepsgrond niet slaagt. Het opleggen van een lichter middel heeft tot gevolg dat eiser
feitelijk(cursivering door de rechtbank) toegang tot Nederland verkrijgt, omdat toepassing van een lichter middel aan de buitengrens niet mogelijk is. Het grensbewakingsbelang kan daarom in beginsel enkel worden veiliggesteld met het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel. Dat eiser bij het eventueel opleggen van een lichter middel in afwachting van de behandeling van zijn asielaanvraag
formeelnog geen toegang tot Schengengebied zou hebben maakt dat niet anders. Feitelijk zou eiser dan immers wel toegang verkrijgen tot het grondgebied en juist in zulke gevallen mag de minister in beginsel voorrang geven aan het grensbewakingsbelang. Eiser heeft ook geen bijzondere, individuele omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan toch een lichter middel moest worden opgelegd en hem feitelijk toegang moest worden verleend.
Eiser heeft weliswaar verklaard dat hij niet goed tegen kleine ruimtes kan, maar hij heeft dat verder niet geconcretiseerd. De minister kon daarom volstaan met de overweging dat in het detentiecentrum voldoende medische zorg aanwezig is en dat dit geen aanleiding vormt een lichter middel op te leggen of het opleggen van de maatregel onevenredig bezwarend te achten.
4. De rechtbank ziet ambtshalve ook geen aanleiding om het opleggen of voortduren van de bestreden maatregel onrechtmatig te achten. Het beroep is daarom ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
5. Omdat al wordt beslist op het door eiser ingediende beroep is er bij partijen geen belang meer bij beoordeling van de door de minister ingediende kennisgeving. Dat beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep met kenmerk NL26.26361 ongegrond;
- verklaart het beroep met kenmerk NL26.26964 niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F.A.M. Smeets, rechter, in aanwezigheid van
D.P. van Middelkoop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Verordening (EU) 2024/1356.