AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf wegens niet aannemelijke gezinsband
Eiser, met de Somalische nationaliteit, verzocht om een machtiging voor voorlopig verblijf (mvv) als gezinslid bij zijn vader, de referent, die sinds 2007 in Nederland verblijft. De minister wees de aanvraag af omdat de identiteit van eiser en de familierechtelijke relatie niet met documenten konden worden aangetoond, mede vanwege het ontbreken van een georganiseerde burgerlijke stand in Somalië. Daarnaast was niet aangetoond dat eiser feitelijk tot het gezin van referent behoort.
De minister handhaafde de afwijzing na bezwaar, mede vanwege contra-indicaties zoals onjuiste en misleidende informatie van referent over zijn burgerlijke staat en het bestaan van eiser. Ook was er geen sprake van hechte persoonlijke banden tussen eiser en referent, gezien het incidentele contact en de beperkte financiële bijdragen.
Hoewel in het beroep een DNA-test werd overgelegd die de biologische relatie bevestigde, oordeelde de rechtbank dat dit onvoldoende was om het besluit te herzien. De gezinsband in de zin van artikel 8 EVRMPro ontbrak, omdat er geen sprake was van een reëel huwelijk of samenwoning en de opvoeding niet door referent was verzorgd.
De rechtbank concludeerde dat de minister terecht geen nader onderzoek heeft laten uitvoeren en dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt geen gelijk, geen terugbetaling van griffierecht en geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de aanvraag mvv wegens onvoldoende aannemelijkheid van de gezinsband.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18471
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)
(gemachtigde: mr. J. van Dam).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een machtiging voor voorlopig verblijf (mvv) als familie- of gezinslid bij zijn vader (referent). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft .Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Referent heeft een aanvraag ingediend ten behoeve van eiser voor verblijf als familie- of gezinslid bij hem in Nederland. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 11 april 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 maart 2025 is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 20 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van de minister en L. Warsame als tolk.
Beoordeling door de rechtbank
Wat ging er aan deze procedure vooraf?
3. Eiser heeft de Somalische nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 2008. Hij is de gestelde zoon (hierna: zoon) van referent. In het kader van de asielaanvraag heeft referent verklaard dat hij twee ex-echtgenoten had, [naam 1] en [naam 2] en dat zijn huidige echtgenote [naam 3] was. Referent heeft in het kader van de asielprocedure geen melding gemaakt van een relatie of huwelijk daarnaast met [naam 4] en de geboorte van een kind uit dat huwelijk. Referent heeft eerst in een nader gehoor van 12 maart 2025 verklaard dat hij een geheim huwelijk had met de moeder van eiser. Toen de moeder van eiser zwanger was, hebben zij en referent elkaar voor het laatst gezien. De moeder van eiser is in 2008 naar Engeland vertrokken en heeft eiser kort na zijn geboorte in Somalië achtergelaten. Referent bevindt zich sinds 2007 in Nederland. Nadat hij asiel heeft gekregen, heeft hij in 2008 zijn acht kinderen en in 2011 minderjarige zusje naar Nederland laten overkomen. Op 20 december 2023 heeft referent een aanvraag ingediend om eiser ook te laten overkomen. Eiser verblijft op het moment van de besluitvorming in Kenia bij de zus van referent. Sinds eiser in Kenia verblijft, hebben zij elkaar twee keer gezien, namelijk in juli/augustus 2024 en in december 2024 tot januari 2025.
De besluitvorming
4. De minister heeft de aanvraag van eiser met het besluit van 11 april 2024 afgewezen, omdat de identiteit van eiser en de familierechtelijke relatie tussen eiser en referent niet met documenten is aangetoond. Referent heeft stukken uit Somalië aangeleverd, onder meer een kopie van het paspoort en de geboorteakte van referent. Maar omdat er geen georganiseerde burgerlijke stand in Somalië is, worden deze stukken niet erkend. Referent is er niet in geslaagd om de identiteit van eiser op andere wijze aannemelijk te maken. Daarnaast is een van de voorwaarden dat referent aantoont dat eiser zijn biologische of juridische kind is. [1] Dat heeft referent niet gedaan. Ook heeft referent niet aangetoond dat eiser feitelijk tot het gezin behoort. [2]
4.1.
De minister is met de bestreden beslissing van 20 maart 2025 bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. De identiteit en de gezinsband is volgens de minister nog steeds niet aannemelijk gemaakt. De documenten en motivering die eiser in bezwaar heeft aangeleverd geven daar geen aanleiding toe. Omdat referent eerder onjuiste of misleidende informatie heeft verstrekt, zo genaamde contra-indicaties, is er geen reden om DNA-onderzoek aan te bieden. Ook overweegt de minister dat er geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eiser en referent, nu referent slechts incidenteel een financiële bijdrage heeft gedaan, uit de overgelegde foto’s van eiser alleen niets kan worden opgemaakt en referent heeft verklaard eiser slechts twee keer te hebben gezien sinds zijn geboorte. Verweerder heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 vanPro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) tussen eiser en referent.
Heeft de minister de aanvraag mogen afwijzen?
5. In de aanvullende gronden van beroep van 30 maart 2026 heeft referent een uitslag van een DNA-test overgelegd. Hieruit volgt dat eiser de zoon van referent is. Eiser meent dat de familierechtelijke relatie op deze wijze aannemelijk is gemaakt.
5.1.
De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat de uitkomst van het DNA-onderzoek waaruit volgt dat het aannemelijk is dat eiser de biologische zoon van referent is, geen aanleiding geeft om de bestreden besluitvorming te herzien. De minister heeft uiteengezet dat het aantonen van de familieband niet leidt tot een andere uitkomst in deze zaak, nu referent niet heeft aangetoond dat eiser uit een reëel huwelijk of niet-huwelijkse relatie is geboren. De huwelijksakte maakt dit oordeel niet anders, omdat hier geen waarde aan toekomt gezien de afkomst van de Somalische autoriteiten.
5.2.
Ook heeft de minister in het bestreden besluit uiteen gezet waarom er geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eiser en referent. De rechtbank overweegt dat onbetwist is gelaten dat eiser en referent nooit hebben samengewoond, dat de opvoeding altijd door anderen is gedaan en dat referent daarbij geen betrokkenheid heeft gehad. Vast staat ook dat referent de eerste jaren na de geboorte geen contact heeft gehad met eiser. De incidentele financiële bijdragen in de periode van 2018-2023 en het onregelmatige digitale contact tussen referent en eiser maken niet dat er sprake is van hechte persoonlijke banden. De eerste ontmoetingen tussen referent en eiser kunnen daar ook maar beperkt aan bijdragen. Te meer deze pas in 2024 en 2025 hebben plaatsgevonden. Gelet op het voorgaande heeft de minister terecht overwogen er geen sprake is van hechte persoonlijke banden en ook niet van gezinsleven in de zin van artikel 8 vanPro het EVRM.
5.3.
Daarbij is de rechtbank van oordeel dat de minister op de juiste gronden tot de beslissing is gekomen om geen nader onderzoek (in de vorm van een DNA-test) te laten plaatsvinden. Er is dus, anders dan eiser betoogt, geen sprake van een onzorgvuldig besluit. De minister heeft terecht overwogen dat referent in zijn eerdere gehoren nooit over het bestaan van eiser of de moeder van eiser heeft verklaard. Op de vraag wat referent zijn burgerlijke staat was tijdens zijn gehoor in 2008 heeft referent vermeld dat hij twee huwelijken had. Hij heeft niet vermeld dat hij in het geheim ook nog gehuwd was met een derde vrouw, namelijk de moeder van eiser. Referent heeft nooit verklaard over het bestaan van eiser, ook niet toen hij later zijn eigen kinderen liet overkomen. Zelfs in 2011 toen referent werd gehoord over de overkomst van zijn minderjarige zusje, heeft referent geen melding gemaakt van het bestaan van eiser. De minister heeft het onthouden van referent zijn verklaringen hierover terecht aangemerkt als contra-indicaties. Daarnaast heeft de minister referent tegengeworpen dat hij inconsistent heeft verklaard over het samenwonen met de moeder van eiser. De minister heeft om die reden niet over hoeven gaan tot nader onderzoek.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de aanvraag van referent om een mvv ten behoeve van eiser heeft mogen afwijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.