Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14131

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
NL25.19221
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 18 VwArt. 19 VwArtikel 6 Besluit 1/80
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking verblijfsvergunning partner met terugwerkende kracht en belangenafweging

Eiser, een Turkse onderdaan, kreeg een verblijfsvergunning als partner van [naam 1], die met terugwerkende kracht per 10 september 2023 werd ingetrokken vanwege het beëindigen van de relatie. Eiser stelde dat hij recht had op voortgezet verblijf op grond van artikel 8 EVRM Pro en dat het Besluit 1/80 van toepassing was, wat de minister betwistte.

De rechtbank oordeelde dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 6 van Pro het Besluit 1/80, omdat hij nog geen jaar legale arbeid had verricht op het moment van intrekking. De minister had de belangenafweging zorgvuldig gemaakt, waarbij het privéleven van eiser werd erkend, maar het algemeen belang en het ontbreken van hechtere banden met Nederland zwaarder wogen.

Eiser voerde aan dat hij niet terug kan keren naar Noord-Cyprus of Turkije vanwege objectieve belemmeringen en politieke redenen, maar de rechtbank vond deze stellingen onvoldoende aannemelijk gemaakt. De intrekking van de verblijfsvergunning was daarom niet in strijd met artikel 8 EVRM Pro. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.19221
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

(gemachtigde: mr. J.G. Wiebes),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (de minister)

(gemachtigde: mr. J. van Dam).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van eisers reguliere verblijfsvergunning voor verblijf als familie- of gezinslid bij [naam 1] ([naam 1]) met terugwerkende kracht per 10 september 2023. Eiser is het niet eens met de intrekking. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister een juist besluit heeft genomen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
De minister heeft met het primaire besluit van 30 juli 2024 (het primaire besluit) eisers verblijfsvergunning voor verblijf als familie- of gezinslid bij [naam 1] met terugwerkende kracht per 10 september 2023 ingetrokken. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.2.
Met het bestreden besluit van 26 maart 2025 is de minister bij de intrekking gebleven.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 20 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3.1.
Eiser is geboren op [geboortedag] 1995 en heeft de Turkse nationaliteit. Op 30 mei 2018 heeft de minister hem een verblijfsvergunning voor verblijf als familie- of gezinslid bij [naam 2] ([naam 2]) verleend (verblijfsvergunning 1). Bij het besluit van 3 juni 2021 is verblijfvergunning 1 ingetrokken met terugwerkende kracht per 20 mei 2020. Op
14 maart 2021 heeft eiser een nieuwe aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [naam 1]’ (verblijfsvergunning 2)’. De minister heeft verblijfsvergunning 2 ingewilligd en verleend met ingang van 15 maart 2021 tot 15 maart 2026.
3.2.
In het primaire besluit wordt de aan eiser verleende verblijfsvergunning 2 ingetrokken met terugwerkende kracht per 10 september 2023 omdat sinds de genoemde datum de relatie tussen [naam 1] en eiser is verbroken. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de intrekking. Op 18 februari 2025 heeft mevrouw [naam 3] ([naam 3]) ten behoeve van eiser een aanvraag ingediend tot het wijzigen van de verleende verblijfsvergunning bij [naam 1] naar ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [naam 3]’ (verblijfsvergunning 3).
3.3.
In het bestreden besluit van 26 maart 2025 blijft de minister bij de intrekking van verblijfsvergunning 2 en wordt de aanvraag voor verblijfsvergunning 3 ingewilligd.
Standpunt eiser
4. Eiser is het niet eens met de intrekking. Hij vindt dat hij per 10 september 2023 recht had op voorgezet verblijf op grond van artikel 8 van Pro het EVRM [1] , namelijk op grond van zijn privéleven. De belangenafweging had in eisers voordeel moeten uitvallen. Hoewel eiser per 18 februari 2025 een vergunning heeft gekregen voor verblijf bij [naam 3], heeft hij belang bij de beoordeling van het beroep omdat er sprake is van een zogenoemd verblijfsgat van bijna 17 maanden. Wanneer voortgezet verblijf wordt toegestaan vanaf
10 september 2023, wordt dat verblijfsgat gedicht.
Besluit 1/80
5.1.
Eiser is van mening dat de minister ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 6 van Pro het Besluit 1/80 niet op hem van toepassing is. Eiser is een Turkse onderdaan en inmiddels al zes jaar in dienstverband werkzaam.
5.2.
Uit de wettekst van artikel 6, eerste lid, van het Besluit 1/80 volgt dat een eiser een beroep kan doen op dit artikel wanneer hij een Turkse werknemer is die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behoort en ten minste één jaar legale arbeid heeft verricht voor dezelfde werkgever, die nog steeds werk voor hem heeft.
5.3.
De rechtbank oordeelt dat eiser niet aan de voorwaarden van artikel 6 van Pro het Besluit 1/80 voldoet. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht overwogen dat eisers verblijfsvergunning werd ingetrokken toen hij nog geen jaar legale arbeid had verricht (op 30 juli 2024). Eiser voldoet ook niet aan de overige voorwaarden genoemd in artikel 6 van Pro het Besluit 1/80. De arbeid die eiser heeft verricht na het moment dat zijn verblijfsvergunning werd ingetrokken, telt namelijk niet mee. Alleen al om die reden kan eiser geen geslaagd beroep doen op de overige mogelijkheden van het artikel. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Privéleven
6.1.
De minister vindt dat eiser met ingang van 10 september 2023 niet aansluitend in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van privéleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. De minister neemt in het bestreden besluit wel aan dat eiser privéleven heeft opgebouwd in Nederland en dat hij inmiddels familie- of gezinsleven heeft met zijn nieuwe partner, [naam 3]. Dit neemt niet weg dat volgens de minister de uit te voeren belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt.
6.2.
Eiser is het daar niet mee eens. Hij bestrijdt niet dat zijn eerdere relatie met [naam 1] op de genoemde datum is verbroken, maar hij vindt dat sprake is van zeer bijzondere, persoonlijke, omstandigheden die maken dat zijn verblijfsrecht niet had mogen worden ingetrokken. Eiser heeft altijd gewerkt en nooit een beroep gedaan op de openbare kas. Dit wordt ten onrechte niet positief meegewogen in de belangenafweging. Daarnaast wordt eiser door de intrekking gedwongen om terug te keren naar Turkije waar hij niemand kent. Hij kan namelijk ook niet terugkeren naar Noord-Cyprus, omdat zijn eerdere verblijfsrecht daar als minderjarig kind was ontleend aan zijn moeder. Omdat de werkgevers in Noord-Cyprus als voorwaarde stellen dat eiser eerst zijn militaire dienst in Turkije moet hebben vervuld voordat hij daar kan werken, kan hij ook niet op een andere manier in Cyprus een verblijfsrecht verkrijgen. Eiser wil namelijk niet in militaire dienst omdat hij tegen het Turkse regime is. Er is dus, anders dan de minister stelt, sprake van een objectieve belemmering voor eiser om terug te keren naar Noord-Cyprus. Daarnaast is de omstandigheid dat eiser tegen het Turkse regime is, en ook daardoor niet kan terugkeren door de minister ten onrechte niet betrokken bij de belangenafweging. De intrekking is dus in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM.
6.3.
De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 19 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in samenhang gelezen met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f van de Vw de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden ingetrokken als niet (langer) wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden. Dit betreft dus een discretionaire bevoegdheid. In paragraaf B1/6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) is invulling gegeven aan deze discretionaire bevoegdheid door te bepalen dat de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt ingetrokken met ingang van de datum waarop niet (meer) wordt voldaan aan de in die paragraaf vermelde voorwaarden.
6.4.
De rechtbank overweegt dat het niet in geschil is dat eiser op het moment van het primaire besluit, op 31 juli 2024, niet meer aan de voorwaarden voor verblijf bij Van Hoef voldeed. Het is ook niet in geschil dat eiser privéleven in Nederland heeft. Het beroep richt zich nadrukkelijk tegen de vraag of de minister alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken bij de belangenafweging, en tegen de weging van deze feiten en omstandigheden. De rechtbank zal daarom eerst beoordelen of er sprake is van een motiveringsgebrek. Daarna zal de rechtbank beoordelen of de minister wel of niet ten onrechte de afweging tussen enerzijds het belang van eiser bij de uitoefening van het privéleven in Nederland en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse staat in het nadeel van eiser heeft laten uitvallen. De uitkomst van de door de minister gemaakte belangenafweging moet de bestuursrechter wel enigszins terughoudend toetsen.
6.5.
De rechtbank overweegt dat de minister alle relevante feiten en omstandigheden in de belangenafweging kenbaar heeft betrokken. Anders dan eiser aanvoert, heeft de minister de omstandigheid dat eiser meent niet te kunnen terugkeren naar Cyprus kenbaar meegewogen op pagina 9 en 10 van de bestreden beslissing. Dat de minister tot een andere conclusie dan eiser komt (namelijk dat er geen sprake is van een objectieve belemmering), maakt niet dat de minister deze omstandigheid niet heeft betrokken bij de belangenafweging. Ook eisers grond dat de minister de omstandigheid dat eiser de Turkse militaire dienst niet wil vervullen, niet in de belangenafweging heeft betrokken, kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. De rechtbank constateert dat de minister op pagina 10 van de bestreden beslissing deze omstandigheid bespreekt. Eisers beroepsgrond dat niet al zijn belangen kenbaar zijn betrokken in de bestreden besluitvorming, slaagt dus niet.
6.6.
De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit voor wat betreft de beoordeling van het privéleven door de minister is overwogen dat het hebben van privéleven in Nederland nog niet tot de conclusie leidt dat het weigeren van verder verblijf tot een schending van het recht op het uitoefenen van dat privéleven leidt. Om die reden heeft de minister een belangenafweging gemaakt. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht in het voordeel van eiser meegewogen dat hij werkt en zodoende zorg draagt voor zijn eigen levensonderhoud. De minister heeft echter in het nadeel van eiser mogen laten wegen dat hij met zijn werk waarschijnlijk een arbeidsplaats inneemt waarvan niet is gebleken dat die niet ook door iemand met rechtmatig verblijf kan worden vervuld. Verder heeft de minister niet ten onrechte overwogen dat de banden van eiser met Nederland niet de gebruikelijke banden overstijgen en dat eiser zijn sociale contacten in Nederland ook vanuit het buitenland kan onderhouden via de telefoon, het internet of door korte bezoeken. Eiser heeft bovendien het grootste gedeelte van zijn leven buiten Nederland doorgebracht. Hij is in Turkije geboren, bezit de Turkse nationaliteit en heeft het grootste gedeelte van zijn leven in Noord-Cyprus gewoond. De rechtbank kan zich daarom vinden in het standpunt van de minister dat aangenomen wordt dat eiser hechtere banden met Noord-Cyprus heeft, dan met Nederland.
6.7.
Wat betreft eisers beroepsgrond ten aanzien van de objectieve belemmering dat hij niet terug kan keren naar Noord-Cyprus en ook niet naar Turkije, overweegt de rechtbank dat deze stelling door eiser niet aannemelijk is gemaakt. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat hij alleen rechtmatig verblijf in Noord-Cyprus zou kunnen verkrijgen wanneer hij een baan heeft en hij voor deze baan de militaire dienstplicht in Turkije moet vervullen, overweegt de rechtbank dat met het overleggen van enkele vacatures dit standpunt onvoldoende is onderbouwd. De minister brengt terecht naar voren dat uit de Werkinstructie [2] volgt dat niet hoeft te worden beoordeeld of eiser daadwerkelijk tot Noord-Cyprus toegelaten zal worden. Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij alleen naar Noord-Cyprus terug kan keren wanneer hij zijn Turkse militaire dienstplicht heeft uitgeoefend, kan eisers grond dat de minister zijn politieke tegenstand tegen het regime van Turkije onvoldoende bij de belangenafweging heeft betrokken, ook niet slagen.

Conclusie en gevolgen

7. De rechtbank komt tot de conclusie dat de intrekking van eisers verblijfsvergunning voor verblijf als familie- of gezinslid bij [naam 1] met terugwerkende kracht per 10 september 2023 niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van
mr.W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Werkinstructie 2026/3, paragraaf 7.2.3.