Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14088

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
C/09/698018 / FA RK 26-535
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n BWArt. 1:251a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek eenhoofdig gezag vader over minderjarige kinderen

De vader verzocht de rechtbank om hem het eenhoofdig gezag over zijn twee minderjarige kinderen toe te kennen, omdat hij stelde dat de moeder afspraken over zorg, opvoeding en verblijfplaats niet nakomt en dat de kinderen daardoor onrust en gedragsproblemen ervaren. De ouders oefenen momenteel gezamenlijk gezag uit en de kinderen zijn onder toezicht gesteld van een gecertificeerde instelling.

De moeder betwistte de stellingen van de vader en gaf aan dat zij wel toestemming heeft gegeven voor hulpverlening en dat de problemen niet direct verband houden met het gezag. De rechtbank overwoog dat het wettelijk uitgangspunt is dat ouders gezamenlijk gezag blijven uitoefenen, tenzij er sprake is van een onaanvaardbaar risico dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders.

De rechtbank concludeerde dat hoewel er meningsverschillen zijn over de zorgregeling en opvoedingsstijl, deze niet leiden tot een situatie waarin het gezamenlijk gezag onhoudbaar is. De moeder frustreert geen gezagsbeslissingen en de hoofdverblijfplaats is geen discussiepunt meer. De rechtbank achtte het niet aannemelijk dat beëindiging van het gezamenlijk gezag de conflicten zou oplossen.

Daarom wees de rechtbank het verzoek van de vader af en benadrukte het belang van respectvolle communicatie tussen ouders en het gezamenlijk vormgeven van het ouderschap, waarbij ouderschapsbemiddeling als mogelijke ondersteuning werd genoemd.

Uitkomst: Het verzoek van de vader om hem het eenhoofdig gezag toe te kennen wordt afgewezen omdat het gezamenlijk gezag niet onhoudbaar is en beëindiging niet in het belang van de kinderen is.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-535
Zaaknummer: C/09/698018
Datum beschikking: 28 april 2026

Gezag

Beschikking op het op 14 januari 2026 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.A. van den Heuvel te Rijswijk.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. Vogelaar te Krommenie.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het bericht van 2 maart 2026, met bijlage, van de zijde van de moeder;
  • het bericht van 26 maart 2026, met bijlagen, van de zijde van de vader.
Op 31 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam 1] en [naam 2] namens Jeugdbescherming west Haaglanden (de gecertificeerde instelling);
  • [naam 3] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.

Feiten

- De vader en de moeder hebben tot 2015 een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats] .
- De vader heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend.
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag uit over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
- Bij beschikking van deze rechtbank van 24 november 2020 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland (de gecertificeerde instelling).
- Bij beschikking van deze rechtbank van 4 november 2021 is:
 de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd tot 24 november 2022;
 bepaald dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijfplaats bij de vader zullen hebben;
 bepaald dat de kinderen in de oneven weekenden bij hun moeder zullen verblijven, waarbij de vader de kinderen naar de moeder brengt op vrijdag om 19.00 uur. De overige afspraken betreffende de verdeling van feestdagen en vakanties zoals opgenomen in het ouderschapsplan blijven gehandhaafd.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 17 november 2022 is de ondertoezichtstelling opnieuw verlengd tot 24 november 2023. Bij beschikking van deze rechtbank van 16 november 2023 is de ondertoezichtstelling voor het laatst verlengd tot 24 november 2024.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 22 oktober 2025 is [minderjarige 1] op verzoek van de vader opnieuw onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling tot 22 oktober 2026.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 19 november 2025 is bepaald dat de moeder – nadat onder begeleiding van hulpverlening contactherstel tussen de vader en [minderjarige 1] is bewerkstelligd – met ingang van 17 november 2025 moet meewerken aan nakoming van de zorgregeling zoals vastgesteld bij beschikking van deze rechtbank van 4 november 2021.

Verzoek en verweer

Het verzoekschrift strekt tot beëindiging van het gezamenlijk gezag, in die zin dat de vader de rechtbank verzoekt om hem met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te belasten.
De moeder heeft mondeling verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Standpunten van de ouders
Ter onderbouwing van zijn verzoek stelt de vader dat de moeder de afspraken omtrent de zorgregeling, de opvoeding, de verblijfplaats en de schoolgang van de kinderen niet nakomt. Zonder toezicht en externe sturing van hulpverleners lukt het de ouders niet om samen vorm te geven aan de opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , aldus de vader. De vader geeft aan dat daardoor herhaaldelijk (juridische) conflicten tussen de ouders ontstaan over (onder meer) de zorgregeling en de hoofdverblijfplaats van de kinderen. Ook zou de moeder weigeren toestemming te geven voor hulpverlening voor [minderjarige 2] . De vader stelt dat deze omstandigheden onrust en onduidelijkheid veroorzaken bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en dat hierdoor (opnieuw) problemen ontstaan bij de kinderen, waaronder ook gedragsproblemen, die in het kader van een eerdere ondertoezichtstelling sterk waren verminderd. Volgens de vader hebben de kinderen rust, voorspelbaarheid en stabiliteit nodig en raken zij nu klem en verloren tussen de ouders, omdat er tussen hen geen constructieve communicatie en structurele samenwerking mogelijk is. Volgens de vader is niet te verwachten dat er binnen afzienbare tijd voldoende verbetering tussen ouders zal optreden, omdat de intensieve hulpverlening en begeleiding van de afgelopen jaren dat ook niet duurzaam tot stand hebben gebracht. Tot slot stelt de vader dat het voorgaande maakt dat het in het belang van de kinderen noodzakelijk is dat de vader met het eenhoofdig gezag wordt belast.
De moeder stelt zich hoofdzakelijk op het standpunt dat de problemen waar de vader op wijst, zoals de discussies over de zorgregeling en de hoofdverblijfplaats, niets te maken hebben met het gezag. Voorts geeft de moeder aan dat het klopt dat zij de rechtbank enige tijd geleden heeft verzocht om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij haar te bepalen, maar dat hieraan ten grondslag lag dat het haar niet lukte om [minderjarige 1] naar de vader en naar school toe te laten gaan en dat de vader niet reageerde toen zij hem in dit verband om hulp vroeg. Ook betwist de moeder dat zij gezagsbeslissingen heeft tegengewerkt en heeft zij verklaard dat zij wel degelijk toestemming heeft gegeven voor de hulpverlening en het gezondheidsonderzoek voor [minderjarige 2] nadat zij haar vragen daarover heeft gesteld aan respectievelijk de hulpverleningsinstantie en de school.
Wettelijk kader
De rechtbank overweegt dat het wettelijk uitgangspunt is dat ouders na uiteengaan gezamenlijk het gezag over de kinderen blijven uitoefenen. Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezamenlijk gezag op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van het tweede lid van dit artikel zijn de gronden van artikel 1:251a eerste en derde lid BW van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan worden beëindigd in het geval er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat zij twee betrokken ouders ziet die het beste voor hun kinderen willen en zich zorgen maken over hen, maar die soms een andere visie hebben op de manier waarop de problemen tussen de ouders onderling alsmede de problemen in de ontwikkeling van de kinderen aangepakt moeten worden. Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, maakt de rechtbank op dat de meningsverschillen tussen de ouders met name te maken hebben met de uitvoering van de zorgregeling en de uiteenlopende perspectieven van de ouders over hoe de opvoeding van de kinderen eruit moet zien. De Raad en de gecertificeerde instelling hebben tijdens de zitting aangegeven dat de voortdurende (juridische en persoonlijke) strijd tussen de ouders een grote weerslag heeft op [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Net als de Raad en de gecertificeerde instelling acht de rechtbank dit niet in het belang van de kinderen.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval het bestaan van meningsverschillen tussen de ouders niet maakt dat er een einde moet komen aan het gezamenlijk gezag. De rechtbank betrekt daarbij het volgende. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de ouders niet in staat zijn (geweest) om samen beslissingen te nemen in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] of dat de moeder dergelijke beslissingen frustreert, waardoor de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders, zoals de vader stelt. Zo hebben beide ouders ter zitting bevestigd dat de moeder uiteindelijk toestemming heeft verleend voor de hulpverlening door [instantie] en het gezondheidsonderzoek voor [minderjarige 2] . Het feit dat de moeder deze toestemming pas heeft gegeven nadat zij daarover contact heeft opgenomen met de hulpverleningsinstantie en de school, acht de rechtbank – mede met het oog op de hulpverleningsgeschiedenis van het gezin – begrijpelijk en redelijk. De vader voert ter onderbouwing van de door hem gestelde voortdurende strijd aan dat de moeder de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] enige tijd geleden ter discussie heeft gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze omstandigheid echter niet dat ouders niet in staat zijn het gezag samen uit te oefenen; vast staat dat [minderjarige 1] enige tijd niet naar de vader (terug) heeft willen gaan en het is vanuit die omstandigheid verklaarbaar dat de moeder de hoofdverblijfplaats ter discussie heeft gesteld. De hoofdverblijfplaats vormt inmiddels geen discussiepunt meer. Verder overweegt de rechtbank dat zij het niet aannemelijk acht dat de beëindiging van het gezamenlijk gezag de strijd tussen de ouders zal oplossen of verminderen. De meningsverschillen tussen de ouders gaan voornamelijk over de zorgregeling – die hoe dan ook doorloopt – en over opvoedingsstijl. Deze onderwerpen zullen nog steeds aan de orde zijn als er een andere gezagsverhouding zou zijn en staan in zoverre los van het gezag. Tegen deze achtergrond is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een situatie waarin de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders omdat zij het gezag gezamenlijk uitoefenen en is ook niet gebleken dat het anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is om de vader met het eenhoofdig gezag te belasten. Daarom zal de rechtbank het verzoek van de vader afwijzen.
De rechtbank overweegt ten overvloede dat deze beslissing niet wegneemt dat het voor de kinderen van belang is dat de ouders eraan blijven werken dat zij elkaar als ouders op een respectvolle wijze benaderen en dat zij aan de kinderen uitdragen dat zij gezamenlijk het ouderschap kunnen vormgeven, zodat de kinderen geen last hebben van de spanningen en eventuele onenigheid tussen de ouders. Zoals ook ter zitting met de ouders is besproken, kan een traject als ouderschapsbemiddeling hierbij behulpzaam zijn. Mogelijk kunnen de betrokken jeugdbeschermers de ouders richting een dergelijk traject begeleiden of hen anderszins ondersteuning bieden in dit verband, nu niet is gebleken dat de ouders een dergelijk traject al hebben doorlopen.

BeslissingDe rechtbank:

*
wijst het verzoek van de vader af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.M. Westerhuis-Evers, kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 28 april 2026.