Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14085

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
C/09/667835 / FA RK 24-4205
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:250 BWArt. 1:377b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing omgangsregeling na raadsrapport en wijziging informatieregeling in belang van kinderen

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de moeder om een omgangsregeling met haar drie minderjarige kinderen vast te stellen. Na een onderzoek en advies van de Raad voor de Kinderbescherming, waarin ernstige bezwaren van de kinderen tegen omgang met de moeder werden geconstateerd, werd het verzoek afgewezen. De Raad stelde dat omgang op dit moment in strijd is met de zwaarwegende belangen van de kinderen, mede door de complexe gezinssituatie, de gezondheidsproblemen van de moeder en de emotionele kwetsbaarheid van de kinderen.

De moeder is rolstoelafhankelijk en lijdt aan blijvende hersenschade, waardoor zij gebeurtenissen uit het verleden niet kan herinneren en een beperkt inlevingsvermogen heeft. De kinderen groeien op bij de vader, die de volledige zorg draagt. De rechtbank achtte het belangrijk dat de huidige stabiliteit in de opvoedsituatie niet wordt verstoord en nam de bevindingen van de Raad over dat de kinderen geen omgang met de moeder wensen.

Hoewel de omgangsregeling werd afgewezen, ontzegt de rechtbank de moeder het recht op omgang niet, omdat de vader dit niet heeft verzocht. De rechtbank benadrukte het belang van professionele hulp voor de kinderen op termijn om hun beeld van de moeder te kunnen vormen. De informatieregeling werd gewijzigd: de moeder mag voortaan brieven sturen in plaats van video’s, en de vader dient per brief te reageren met informatie over de kinderen. De rechtbank wees het meer of anders verzochte af en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Verzoek tot omgangsregeling afgewezen en informatieregeling gewijzigd naar communicatie via brieven in belang van de kinderen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-4205
Zaaknummer: C/09/667835
Datum beschikking: 28 april 2026

Omgang- en informatieregeling

Beschikking op het op 22 mei 2024 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
verblijvende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L. Rijsdam te Leiden.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam.

Procedure

Bij beschikking van 9 juli 2025 van deze rechtbank is een beslissing over de door de moeder verzochte omgangsregeling aangehouden en is de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten en de rechtbank te adviseren.
De rechtbank heeft opnieuw kennis genomen van de stukken, waaronder nu ook:
  • het rapport en advies van de Raad voor de Kinderbescherming te ’s-Gravenhage (hierna te noemen: de Raad) van 30 januari 2026, kenmerk SK-1-68NWPOB;
  • het bericht van 19 februari 2026 van de Raad.
Op 24 maart 2026 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader, bijgestaan door mr. V. de Roo, kantoorgenoot van zijn advocaat;
  • [naam 1] , de begeleider van de moeder;
  • [naam 2] namens de Raad.

Beoordeling

Het gaat om de vraag of er, zoals de moeder heeft verzocht, een omgangsregeling en informatieregeling moet worden vastgesteld betreffende de drie minderjarige kinderen van partijen.
Omgangsregeling
De Raad heeft de rechtbank geadviseerd om de moeder het recht op omgang met [minderjarige 1] te ontzeggen, omdat [minderjarige 1] , die 12 jaar oud is, bij haar verhoor van ernstige bezwaren tegen de omgang met haar moeder heeft doen blijken. De Raad adviseert verder de rechtbank om de moeder het recht op omgang met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te ontzeggen omdat omgang anderszins in strijd is met hun zwaarwegende belangen.
De Raad heeft in het raadsrapport, ter onderbouwing van dit advies – verkort weergegeven – het volgende aangegeven. Er is op dit moment bij de kinderen en bij vader onvoldoende draagkracht voor een omgangsregeling. Dit heeft te maken met de volgende omstandigheden. De kinderen hebben het nodige meegemaakt toen de ouders nog bij elkaar waren en ook nadat zij uit elkaar waren. Er waren veelvuldig ruzies tussen de ouders, welke ruzies de kinderen hebben meegemaakt. De moeder heeft zich agressief gedragen jegens vader. De moeder had stemmingswisselingen, ernstige depressies, suïcidale gedachtes en uitingen. De kinderen hebben hier veel van meegekregen. De moeder is na de scheiding ziek geworden waardoor er blijvende schade aan haar hersenen is ontstaan. Zij verblijft vanwege haar gezondheidsproblemen bij [instelling] . Door haar ziekte kan zij zich vele gebeurtenissen uit het verleden niet meer herinneren en heeft zij ook een beperkt inlevingsvermogen. Deze situatie maakt dat het verleden niet meer met elkaar besproken kan worden. De moeder handelt en denkt hierdoor voornamelijk vanuit haar eigen perspectief en behoeften. De moeder is daarnaast rolstoel afhankelijk, slechthorend, slechtziend en ook in haar motoriek beperkt. Het is moeilijk voor de kinderen om hun moeder te zien. Zij herkennen hun moeder niet meer als de persoon die zij was. De kinderen hebben door dit alles kwetsbaarheden in hun eigen ontwikkeling, waarvoor zij extra ondersteuning nodig hebben. De kinderen groeien nu op bij de vader en de vader draagt de volledige zorg voor hen. Er is met video’s geprobeerd weer tot contact te komen maar dit is niet goed gegaan. Alle drie de kinderen geven aan op dit moment geen omgang te willen met de moeder. De Raad heeft gezien dat de situatie bij zowel de vader als de kinderen veel weerstand en spanning oproept. Bij de vader spelen wegens het verleden veel emoties en teleurstellingen richting de moeder een rol. Door het geheugenverlies van de moeder zijn herstelgesprekken met de vader niet meer goed mogelijk. Hoewel het voor de identiteitsontwikkeling van de kinderen belangrijk is dat zij zich een goed beeld kunnen vormen van wie hun moeder nu is, waarvoor hulp en begeleiding nodig zal zijn, is de Raad van mening dat er gelet op de weerstand tegen omgang met de moeder en gelet op de spanningen op dit moment geen mogelijkheden zijn om het contact tussen de kinderen en de moeder te herstellen of op te bouwen. De vader en de kinderen zijn hier volgens de Raad niet aan toe en het is volgens de Raad belangrijk dat het precaire evenwicht dat nu bereikt is in de opvoedsituatie bij vader thuis niet verstoord wordt. De kinderen hebben vader hard nodig om zich de komende tijd in een stabiele omgeving te kunnen ontwikkelen.
Als reactie op het raadsrapport heeft de moeder aan de Raad schriftelijk aangegeven dat zij het voor nu belangrijk vindt dat er over en weer brieven worden gestuurd en daarnaast dat de kinderen na een periode - wanneer hier tijd en ruimte voor is - door een professioneel deskundige geïnformeerd worden over het ziektebeeld bij moeder. De moeder heeft aangegeven dat zij na een periode de wens heeft om een keer mee te kunnen zodat de kinderen na afloop vragen zouden kunnen stellen. Namens de moeder is ter zitting aangegeven dat er begrip is voor de situatie en voor de mening en beleving van de kinderen. Wel is het volgens de moeder nodig dat er hulverlening wordt ingezet, zodat stap voor stap wordt toegewerkt naar contactherstel. Dit mag niet vrijblijvend zijn voor vader en de kinderen, aldus de moeder.
De vader heeft ter zitting aangegeven geen vertrouwen meer te hebben in de hulpverlening en op dit moment alleen maar rust te wensen voor de kinderen. De vader heeft verklaard dat hij zelf voldoende in staat is de kinderen op de juiste manier te informeren over de situatie van de moeder en ook om hen de ruimte te geven om daar vragen over te stellen. Volgens de vader zijn de kinderen goed op de hoogte van de situatie van de moeder en beantwoordt hij vragen als die worden gesteld. Volgens vader hebben de kinderen daarom geen psycho-educatie nodig. Vader heeft ter zitting verder verklaard dat de kinderen duidelijk zijn in hun mening dat zij op dit moment geen contact met de moeder willen. Als de kinderen wel omgang met de moeder zouden willen dan staat hij daarvoor open, aldus vader. Als de kinderen aangeven dat zij hulp nodig hebben dan zal de vader ook de juiste hulp voor hen inschakelen.
De rechtbank overweegt als volgt. De bevindingen van de Raad over de draagkracht van de vader en de door de kinderen geuite weerstand tegen contact met de moeder zijn niet bestreden. Deze neemt de rechtbank dus als vaststaand aan. Ook neemt de rechtbank aan dat, zoals de Raad heeft beschreven, er sprake geweest is van een zorgelijke opvoedsituatie bij de kinderen, dat zij alledrie extra kwetsbaar zijn en dat het zeer belangrijk is dat de nu bereikte stabiliteit niet wordt verstoord. De rechtbank kan de Raad dan ook, gelet op de gesprekken die met kinderen en de vader zijn gevoerd, volgen in de inschatting dat er een aanzienlijk risico is dat de stabiliteit wel zou worden verstoord als er op dit moment een omgangsregeling zou worden bepaald. Daarbij is ook van belang dat de kinderen alledrie bezwaren hebben geuit tegen contact met de moeder op dit moment. De rechtbank zal daarom gelet op de bevindingen van de Raad het verzoek van de moeder tot vaststelling van een omgangsregeling afwijzen. Anders dan de Raad heeft geadviseerd, zal de rechtbank de moeder het recht op omgang niet ontzeggen. Dat kan alleen maar als de vader hierom verzoekt en dat heeft hij niet gedaan.
De rechtbank acht het wel van belang te benadrukken, zoals de Raad en de moeder hebben aangegeven, dat het voor de identiteitsontwikkeling van de kinderen van belang is dat zij op termijn – zodra zij hier ruimte voor hebben - professionele hulp krijgen om zich zelfstandig een beeld te kunnen vormen van wie hun moeder nu is. Gebleken is dat de kinderen hun moeder zoals zij haar kenden, zijn kwijtgeraakt en dus in zoverre een rouwproces doormaken. Zoals de Raad heeft aangegeven, zou het goed voor hun zijn dat zij psycho-educatie krijgen over wat er met hun moeder aan de hand is en waardoor zij zich op dit moment op haar manier gedraagt en in een rolstoel zit. Het is beter als de kinderen deze hulp en uitleg (ook) krijgen van een ‘neutrale derde’, aangezien de vader in zijn verhaal naar de kinderen niet neutraal kan zijn, gelet op zijn eigen ervaringen met de moeder. Zoals de Raad heeft aangegeven, zijn de kinderen te jong om zelf het initiatief voor hulp te nemen of om te onderkennen dat dit een situatie is die hulp vergt. De vader wil het initiatief voor hulp bij de kinderen laten, maar de kinderen hebben niet de leeftijd en mate van rijpheid om te overzien wat de gevolgen zijn van de situatie waar zij zich nu in bevinden. Het niet tijdig inzetten van professionele hulp kan op termijn leiden tot negatieve invloed op de identiteitsontwikkeling van de kinderen en het zelfbeeld van de kinderen wanneer zij blijven denken dat hun moeder onveilig en vreemd is. Het is dus van belang dat er op enig moment hulpverlening voor de kinderen wordt ingezet. Van de kinderen kan niet worden verwacht dat zij op deze leeftijd zelf stappen hierin zullen ondernemen. Deze verantwoordelijkheid ligt bij de gezaghebbende ouder en dus de vader. De rechtbank kan niet, wat de moeder heeft verzocht, zelf psycho-educatie of ander soort therapie voor de kinderen opleggen en wil de vader hierbij op het hart drukken om het initiatief niet bij de kinderen te laten, maar zelf, wanneer de kinderen daarvoor voldoende draagkracht hebben, professionele hulp in te schakelen.
Op de zitting heeft de Raad nog geopperd dat wellicht de benoeming van een bijzondere curator met een pedagogische achtergrond in het belang van de kinderen zou zijn en dat de zaak zou kunnen worden aangehouden in afwachting van de hulpverlening. De Raad heeft daarbij benoemd dat op die manier recht zou kunnen worden gedaan aan hun belang om met een neutraal iemand in gesprek te kunnen gaan. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om op dit moment een bijzondere curator te benoemen en overweegt daartoe als volgt. Op grond van artikel 1:250 BW Pro kan de rechtbank een bijzondere curator benoemen om een minderjarige, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen. De rechtbank kan dit doen als in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding van een minderjarige de belangen van (één van) de met het gezag belaste ouders in strijd zijn met die van de minderjarige. Er dient sprake te zijn van een wezenlijk conflict met betrekking tot de opvoeding en verzorging van de minderjarige. De rechtbank is van oordeel dat hiervan geen sprake is. Daarbij neemt de rechtbank mee dat gebleken is dat de vader oog heeft voor de belangen van de kinderen, waarin hij hun huidige situatie en hun behoefte aan rust respecteert. De Raad heeft diverse onderzoeken gedaan en de kinderen hebben daarbij aan een neutraal iemand (de Raad) hun stem kunnen laten horen. Hoewel de rechtbank het van belang acht dat de kinderen op termijn hulp krijgen om zich een goed beeld te kunnen vormen van de moeder, kan gelet op de complexiteit van de situatie en de weerstand van de kinderen op dit moment niet gezegd worden dat dit nu al moet gebeuren. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om een bijzondere curator te benoemen, die er op toe zou moeten zien dat nu al professionele hulp in wordt gezet. De rechtbank heeft er voldoende vertrouwen in dat de vader met inachtneming van de overweging als hiervoor omschreven – dat de kinderen op termijn professionele hulp nodig hebben – zal handelen en de opbouw van een band tussen de moeder en de kinderen zal bevorderen. De rechtbank betrekt daarbij dat de vader in het verleden heeft laten zien ook daadwerkelijk hulp door derden in te schakelen. Zo is er voor [minderjarige 1] ruim een jaar hulpverlening ingezet in de vorm van een buddy van [hulpverlener] .
Informatieregeling
Bij beschikking van 9 juli van 2025 van deze rechtbank is een informatieregeling vastgesteld waarbij:
- in de even maanden: de moeder op de eerste van de maand een video voor de
kinderen toestuurt aan de vader;
- in de oneven maanden: de vader op de eerste van de maand schriftelijk (per post)
informatie zal verschaffen over de ontwikkeling en het welzijn van de kinderen, voorzien van een recente foto van de kinderen, waarbij de vader ook ingaat op de reactie van de kinderen op de video van de moeder.
De moeder verzoekt nu deze informatieregeling te wijzigen in die zin dat zij in plaats van een video een brief zal sturen aan de kinderen waarop dan weer door de vader per brief op wordt gereageerd. De vader heeft op de zitting aangegeven dit niet te willen omdat de regeling niet altijd goed verloopt. De vader heeft ook het idee dat de brieven niet door de moeder zelf worden geschreven. Verder heeft de vader ook de angst dat de moeder de gestuurde foto’s en/of berichten op sociale media zal plaatsen.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:377b lid 1 BW is de ouder die met het gezag over het kind is belast gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen van gewichtige aangelegenheden betreffende de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen over daaromtrent te nemen beslissingen. De moeder heeft dus het recht om geïnformeerd te worden over de kinderen en de vader is verplicht daaraan mee te werken. De rechtbank acht het vanzelfsprekend, zoals ook op de zitting is aangegeven, dat de moeder geen foto’s en berichten van de kinderen en de vader op sociale media plaatst. De advocaat van de moeder heeft namens de moeder op de zitting toegezegd dat de moeder dat niet meer zal doen en aan [instelling] te zullen meegeven om dit nogmaals met de moeder te bespreken. Daarnaast heeft de moeder op de zitting toegelicht dat het klopt dat zij de brieven niet zelf kan schrijven en daarbij hulp krijgt. De inhoud van de brieven is echter daadwerkelijk van de moeder afkomstig. De rechtbank geeft de vader mee in overweging om dit aan de kinderen uit te leggen als zij daar vragen over hebben. Gelet op wat in het raadsrapport is opgenomen ten aanzien van de reacties van de kinderen op de door de moeder gestuurde video’s acht de rechtbank het in het belang van de kinderen dat de informatie die de moeder over haar met de kinderen zal delen niet meer via een videobericht plaatsvindt. Het ontvangen van videoberichten zonder dat de kinderen psycho-educatie hebben doorlopen, is niet in hun belang en roept teveel vragen op. De rechtbank zal daarom de informatieregeling wijzigen en bepalen dat de moeder een brief aan de kinderen zal toesturen in plaats van een videobericht. Van de vader kan naar het oordeel van de rechtbank gelet op het voorgaande worden verlangd dat hij vervolgens per brief de moeder informeert over de kinderen.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van 9 juli 2025 van deze rechtbank – :
bepaalt een informatieregeling waarbij:
- in de even maanden: de moeder op de eerste van de maand een brief voor de
kinderen toestuurt aan de vader;
- in de oneven maanden: de vader op de eerste van de maand schriftelijk (per post)
informatie zal verschaffen over de ontwikkeling en het welzijn van de kinderen, voorzien van een recente foto van de kinderen, waarbij de vader ook voor zover mogelijk ingaat op de reactie van de kinderen op de brief van de moeder.
verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.M. Westerhuis-Evers, kinderrechter, bijgestaan door mr. A.F. Lemmens als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 28 april 2026.