De moeder heeft bij de rechtbank Den Haag verzocht om het gezamenlijk gezag over haar twee minderjarige kinderen te beëindigen en haar het eenhoofdig gezag toe te kennen. De ouders zijn sinds 2024 gescheiden en oefenen gezamenlijk gezag uit. De kinderen verblijven bij de moeder. De vader heeft geen contact meer met de kinderen en ook de communicatie tussen de ouders ontbreekt al langere tijd.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de omstandigheden sinds het ontstaan van het gezamenlijk gezag zijn gewijzigd, waardoor het verzoek ontvankelijk is. De kinderen hebben aangegeven hun vader al drie jaar niet meer te hebben gezien. De vader vervult feitelijk geen gezagsfunctie meer. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat de moeder zelfstandig gezagsbeslissingen kan nemen.
Op grond van artikel 1:253n BW en de toepasselijke bepalingen uit artikel 1:251a BW is het gezamenlijk gezag beëindigd en het eenhoofdig gezag aan de moeder toegekend. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en iedere partij draagt de eigen proceskosten.