ECLI:NL:RBDHA:2026:1405
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verlenging verblijfsvergunning arbeid in loondienst wegens niet voldoen aan voorwaarden
Eiser, een persoon met de Bengalese nationaliteit, had een verblijfsvergunning voor arbeid in loondienst die geldig was tot 1 juli 2024. Hij diende in juni 2024 een aanvraag in voor verlenging van deze vergunning. Verweerder wees deze aanvraag af op grond van een advies van het UWV, dat vier afwijzingsgronden uit de Wet arbeid vreemdelingen toepaste, waardoor niet werd voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.31 van het Vreemdelingenbesluit 2000.
Eiser stelde dat het besluit onzorgvuldig was voorbereid en onvoldoende was gemotiveerd, en dat het ontstane verblijfsgat tussen 1 juli 2024 en 8 april 2025 onrechtmatig was. De rechtbank oordeelde dat verweerder het besluit voldoende had gemotiveerd en dat eiser geen nadere gronden had ingediend ondanks de geboden mogelijkheid. Het beroep om het verblijfsgat te bestrijden werd niet inhoudelijk beoordeeld omdat dit verband hield met een latere aanvraag.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het bestreden besluit. Eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter E.M.A. Vinken op 15 januari 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verlenging van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.