Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14031

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
C/09/700745 / FA RK 26-2174
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot wijziging zorgregeling wegens belangen kinderen

De moeder verzocht de rechtbank om de zorgregeling voor de minderjarige kinderen te wijzigen, met name vanwege praktische bezwaren rondom het aantal wisselmomenten en de aankomende overgang van de oudste naar de middelbare school.

De rechtbank stelde vast dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden sinds het ouderschapsplan van 2024, waardoor de moeder ontvankelijk werd verklaard in haar verzoek. De ouders verschillen echter van mening over de invulling van de zorgregeling.

De rechtbank oordeelde dat de bezwaren van de moeder niet opwegen tegen de nadelen die een wijziging voor de vader en de kinderen zou veroorzaken, zoals extra opvangbehoefte en verstoring van de zorgregeling met de kinderen van de nieuwe partner van de vader.

De huidige regeling werd als het meest in het belang van de kinderen beschouwd. De rechtbank wees het verzoek van de moeder af en bepaalde dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

De kinderrechter sprak ook met de kinderen en benadrukte het belang van goede communicatie tussen ouders, eventueel met professionele begeleiding.

Uitkomst: Verzoek tot wijziging van de zorgregeling wordt afgewezen omdat de huidige regeling het beste aansluit bij het belang van de kinderen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 26-2174
Zaaknummer: C/09/700745
Datum beschikking: 28 april 2026

Wijziging zorgregeling

Beschikking op het op 5 maart 2026 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N.M. Zeeman in Zoetermeer.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C. Elsinga in Zoeterwoude.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift met een zelfstandig verzoek.
De minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben een gesprek gehad met de kinderrechter op 26 maart 2026.
Op 31 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Feiten

  • Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
  • Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
  • [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [geboorteplaats] ( [de minderjarige 2] );
  • [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats] ( [de minderjarige 1] ).
  • De vader heeft de kinderen erkend.
  • De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit, ingevolge aantekeningen in het gezagsregister van 10 augustus 2016 en 31 januari 2018.
  • De ouders zijn in 2024 een (nieuw) ouderschapsplan overeengekomen. Hierin is vastgelegd dat de kinderen op maandag en dinsdag bij de vader zijn, op woensdag en donderdag bij de moeder, en afwisselend op vrijdag, zaterdag en zondag bij de moeder, dan wel de vader.
Verzoek en verweer
De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • te bepalen dat de zorgregeling wordt gewijzigd, in die zin dat [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] in de even weekenden en de oneven weken bij de vader verblijven en in de oneven weekenden en de even weken bij de moeder, waarbij de wisseldag op vrijdag is, en de kinderen na het avondeten door de ouder bij wie zij verblijven met alle spullen voor de komende week naar de andere ouder worden gebracht;
  • te bepalen dat de kinderen in de even jaren in de voorjaarsvakantie bij de vader verblijven en in de herfstvakantie bij de moeder, en in de oneven jaren vice versa, dat in de meivakantie de reguliere zorgregeling doorloopt en dat de zomervakantie bij helfte drie om drie weken verdeeld wordt.
De vader voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt zelfstandig:
-
primair: de moeder niet-ontvankelijk te verklaren;
subsidiair: de verzoeken van de moeder af te wijzen,
met veroordeling van de moeder in de kosten van de procedure.

Beoordeling

Wijziging zorgregeling
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 1:253a vierde lid in samenhang met artikel 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing inzake de zorgregeling alsmede een door de ouders onderling getroffen zorgregeling onder meer wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.
De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden sinds het ouderschapsplan van 2024, nu [de minderjarige 2] na de zomervakantie van dit jaar naar de middelbare school gaat. Ook zijn de beide kinderen inmiddels ouder geworden. De rechtbank zal de moeder daarom ontvangen in haar verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt. De ouders zijn het er over eens dat zij een gelijkwaardige rol blijven vervullen in de verzorging en opvoeding van de kinderen. Zij verschillen echter van mening over de invulling van de zorgregeling. In de kern komt het voornaamste bezwaar van de moeder er op neer dat de kinderen momenteel door het aantal wisselmomenten regelmatig spullen voor sport en/of school mee moeten nemen. Deze belasting zal volgens haar toenemen wanneer [de minderjarige 2] naar de middelbare school gaat. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de moeder deze praktische lasten zoveel mogelijk wil beperken, weegt haar bezwaar tegen de huidige regeling naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen de moeilijkheden die de vader zou ondervinden indien de regeling zou worden gewijzigd naar een week-op week-af regeling. De hoeveelheid wisselingen leidt op dit moment niet tot (aanzienlijke) problemen. Dat er vanaf de zomervakantie mogelijk meer onrust ontstaat bij [de minderjarige 2] door de wisselingen, is op dit moment te onzeker om de zorgregeling aan te passen. De rechtbank weegt daarbij de bezwaren aan de kant van de vader mee. Hij heeft zijn werk namelijk zo ingericht dat hij op maandag en dinsdag de zorg kan dragen voor de kinderen en hen kan opvangen na school. In het geval van een week op week af regeling zou de vader in zijn zorgweek (extra) opvang moeten regelen via de BSO of de oma. Hoewel dit in principe niet erg hoeft te zijn, blijkt uit de stukken en hetgeen op zitting is besproken dat de kinderen het juist fijn vinden om zo veel mogelijk tijd bij de ouders door te brengen. De rechtbank acht het niet wenselijk dat er een ongelijkheid ontstaat, in die zin dat de kinderen bij de moeder geen gebruik hoeven te maken van buitenschoolse opvang, terwijl dit bij de vader wel meerdere malen het geval zou zijn. Daarnaast heeft de vader de zorgregeling met [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] nu precies afgestemd op de zorgregeling met de kinderen van zijn nieuwe partner. Het wijzigen van de zorgregeling met [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] leidt tot praktische problemen met de zorgregeling met de kinderen van de nieuwe partner en de daar weegt mogelijke onrust in de toekomst niet tegenop.
Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat de huidige regeling het meest tegemoet komt aan de belangen van de kinderen. De rechtbank zal het verzoek van de moeder om de regeling te wijzigen dan ook afwijzen.
De toekomst
Het is mogelijk dat na de overgang naar de middelbare school blijkt dat de zorgregeling zoals die nu is, niet in het belang van [de minderjarige 2] is. Of dat er zich andere ontwikkelingen voordoen in de levens van de kinderen of de ouders die maken dat een verandering van de zorgregeling voor de hand ligt. De rechtbank heeft aan het dossier en de behandeling van de zaak op de zitting de indruk overgehouden dat partijen prima in staat zijn om daar samen over te spreken en drukt hen op het hart dat te (blijven) doen. Dat kan eventueel ook onder begeleiding van een professional, zoals een mediator.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Brief [de minderjarige 1]
Beste [de minderjarige 1] ,
Ik ben de kinderrechter met wie je een tijdje geleden hebt gepraat. Ik vond dat een leuk gesprek. We hebben het gehad over de Donald Duck en over voetballen. En over wanneer je bij papa bent en wanneer bij mama.
Ik heb ook met je ouders gepraat. Ze willen allebei het beste voor jou en [de minderjarige 2] . Ze zijn het niet met elkaar eens over de indeling. Je moeder heeft mij verteld waarom ze de indeling wil veranderen. En je vader waarom hij de indeling hetzelfde wil houden. Ze konden daar helaas geen afspraak over maken. Dus heb ik een beslissing genomen.
Mijn beslissing is dat de indeling niet verandert. De indeling gaat op dit moment namelijk goed. En een andere indeling zou bijvoorbeeld betekenen dat je vaker naar de BSO gaat. Dat vind ik niet nodig.
Met vriendelijke groet,
Erik Boot
Kinderrechter

Beslissing

De rechtbank:
wijst alle verzoeken af;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Boot, kinderrechter, bijgestaan door mr. S.A.L. Niemantsverdriet als griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 28 april 2026.