Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14028

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
25/2071
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet op de huurtoeslagArt. 9 Uitvoeringsregeling AwirArt. 26 AwirArt. 47 Awir
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing huurtoeslag wegens te hoog vermogen ondanks schenking aan minderjarige dochter

Eiser heeft een aanvraag voor huurtoeslag ingediend, maar deze is afgewezen omdat zijn gezamenlijk vermogen met zijn toeslagpartner hoger is dan de toegestane grens. Eiser stelt dat een schenking van €10.000 aan zijn minderjarige dochter niet meegeteld mag worden omdat het geld op een rekening staat die hij beheert en waarover hij niet zou kunnen beschikken.

De rechtbank onderzoekt de toepasselijkheid van artikel 9 van Pro de Uitvoeringsregeling Awir, waarin staat dat bezittingen die van een kind zijn en waarover noch de belanghebbende, noch het kind kan beschikken, buiten beschouwing kunnen worden gelaten. De schenking staat echter op een vrij opneembare rekening die eiser beheert, zonder een BEM-clausule, waardoor hij er feitelijk over kan beschikken.

De rechtbank concludeert dat het bedrag niet als bijzonder vermogensbestanddeel kan worden aangemerkt en dus moet worden meegeteld bij de vermogensvaststelling. Ook is geen sprake van bijzondere omstandigheden die een matiging van de terugvordering rechtvaardigen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de huurtoeslag wordt ongegrond verklaard omdat het vermogen te hoog is en de schenking aan de dochter niet buiten beschouwing kan worden gelaten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/2071

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

en

Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]).

Procesverloop

1. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor huurtoeslag. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 19 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 februari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 20 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door zijn maatschappelijk werkster, [naam] en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft een aanvraag gedaan voor huurtoeslag. Met de definitieve vaststelling huurtoeslag 2023 is de huurtoeslag op nihil gesteld omdat het vermogen van eiser te hoog is. De inspecteur van de Belastingdienst heeft het vermogen van eiser op € 56.810,- vastgesteld en het vermogen van zijn toeslagpartner op € 11.000,-. Het gezamenlijke vermogen is vastgesteld op € 67.810,-. Om in aanmerking te komen voor huurtoeslag mocht het gezamenlijk vermogen niet meer zijn dan € 67.496,- Eiser heeft een voorschot van
€ 4.504,- ontvangen en moet dit terugbetalen.
Wat vindt eiser?
3. Eiser stelt zich - kort samengevat- op het standpunt dat verweerder uit is gegaan van een te hoog eigen vermogen. De (minderjarige) dochter van eiser heeft namelijk een bedrag van € 10.000,- van haar grootouders gekregen. Eiser heeft hier ook een notariële verklaring van. Dit bedrag staat op een Groei Groter Rekening van de ING bank. Eiser en zijn partner wilden dit bedrag eigenlijk op een BEM rekening plaatsen maar dat bleek niet mogelijk. Verweerder heeft dit bedrag onterecht meegeteld als vermogen. Daarbij komt dat eiser en zijn partner zich in een lastige financiële positie bevinden waardoor zij niet in staat zijn om het teruggevorderde bedrag te betalen. Eiser heeft op dit moment geen inkomen, alleen zijn partner heeft een inkomen rond het minimumloon. Daarbij komt dat de partner van eiser al langere tijd ziek is, zij zal binnenkort gekort worden op haar salaris.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Had eiser recht op huurtoeslag?
4. Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag is het recht op huurtoeslag afhankelijk van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen. Eiser betwist niet dat verweerder het vermogen in aanmerking dient te nemen zoals dat volgt uit de aanslag inkomstenbelasting. Dit is het inkomensgegeven zoals vastgesteld in de BRI.
Bijzonder vermogensbestanddeel?
5. Eiser stelt echter dat de schenking van € 10.000,- aan zijn dochter niet bij het vermogen geteld mag worden.
5.1.
In artikel 47 van Pro de Awir is bepaald dat bij ministeriële regeling een van de Awir afwijkende maatregel wordt getroffen voor groepen van gevallen waarin toepassing van artikel 7, derde en vierde lid, van de Awir leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Deze afwijkende maatregel is vastgelegd in artikel 9 van Pro de Uitvoeringsregeling Awir. Op grond van deze bepaling blijven artikel 7, derde en vierde lid, van de Awir buiten toepassing voor die persoon bij wie geen voordeel uit sparen en beleggen in aanmerking zou worden genomen als de rendementsgrondslag zou worden verminderd met de daarin genoemde categorie bezittingen.
5.2.
De rechtbank merkt hierover op dat in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en tweede onderdeel, van de Uitvoeringsregeling Awir is bepaald dat bezittingen die zijn opgekomen van de zijde van een kind en waarover zowel de belanghebbende, diens partner, een eventuele medebewoner, alsook het kind niet kan beschikken, buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Er mag niet over het vermogen beschikt kunnen worden. Hiervan is sprake als het geld op een rekening staat waarvan het niet kan worden opgenomen. Verder mag het niet gaan om een zelfopgelegde beperking.
5.3.
De schenking van € 10.000,- aan de dochter van eiser staat op een Groei Groter Rekening bij de ING bank. Het spaargeld is vrij opneembaar en eiser beheert de rekening tot zijn dochter 18 jaar is. Op de rekening rust verder geen BEM-clausule. Hieruit concludeert de rechtbank dat eiser vrij kan beschikken over het geld. Dat het niet mogelijk is een BEM-clausule op te laten nemen omdat het geld afkomstig is uit Iran, maakt dit niet anders. Het gaat erom dat het bedrag ter beschikking van eiser staat indien hij dat wenst. Dat hij met de schenker heeft afgesproken dit niet te zullen doen, hoe begrijpelijk ook, leidt er niet toe dat het bedrag als bijzonder vermogensbestanddeel buiten beschouwing kan worden gelaten bij de berekening van de huurtoeslag over het jaar 2023.
Zijn er bijzondere omstandigheden?
6. Verweerder heeft op grond van artikel 26, tweede lid van de Awir de mogelijkheid om van terugvordering af te zien of de terugvordering te matigen indien de nadelige gevolgen van de terugvordering onevenredig zijn in verhouding tot het doel van de terugvordering. Uit het Verzamelbesluit Toeslagen volgt dat hiervan in beginsel geen sprake is indien de terugvordering het gevolg is van het overschrijden van de vermogensgrens. Hetzelfde geldt voor het geval dat iemands financiële situatie de terugvordering verhinderd. Voor deze situatie bestaat de betalingsregeling. Eiser heeft geen andere omstandigheden aangegeven op grond waarvan verweerder de terugvordering zou moeten matigen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.T. van Bruggen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.