ECLI:NL:RBDHA:2026:1402
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen inreisverbod na verlopen verblijfsvergunning ongegrond verklaard
Eiser, een Indiase nationaliteit dragende persoon, had een verblijfsvergunning voor studie die geldig was tot 1 december 2022. Na het verlopen van deze vergunning verbleef hij in India en reisde in oktober 2023 met een Schengenvisum naar Nederland. Bij uitreis in juli 2024 werd vastgesteld dat hij geen rechtmatig verblijf meer had, waarna verweerder op 7 augustus 2024 een inreisverbod van twee jaar oplegde.
Eiser voerde aan dat hij binnen de redelijke termijn zat zoals bedoeld in artikel 6.5 van het Vreemdelingenbesluit, omdat zijn verblijfsvergunning minder dan twee jaar geleden was verlopen. Verweerder stelde dat deze bepaling niet op eiser van toepassing was omdat hij zijn hoofdverblijf buiten Nederland had gevestigd en geen verlengingsaanvraag had ingediend.
De rechtbank oordeelde dat eiser wel procesbelang had, mede vanwege mogelijke gevolgen voor toekomstige verblijfsaanvragen. Het verweerschrift mocht worden betrokken bij de beoordeling. De rechtbank concludeerde dat eiser niet binnen de redelijke termijn een verlengingsaanvraag had ingediend en dat artikel 6.5 van het Vreemdelingenbesluit daarom niet van toepassing was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het inreisverbod bleef in stand.
Het inreisverbod werd later op 11 november 2025 opgeheven, maar dit deed niet af aan het oordeel over het bestreden besluit. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter E.M.A. Vinken op 15 januari 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen het opgelegde inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het inreisverbod blijft in stand.