ECLI:NL:RBDHA:2026:1402

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
AWB 24/12963
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.5 VreemdelingenbesluitArt. 3.82 VreemdelingenbesluitArt. 3.83 Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen inreisverbod na verlopen verblijfsvergunning ongegrond verklaard

Eiser, een Indiase nationaliteit dragende persoon, had een verblijfsvergunning voor studie die geldig was tot 1 december 2022. Na het verlopen van deze vergunning verbleef hij in India en reisde in oktober 2023 met een Schengenvisum naar Nederland. Bij uitreis in juli 2024 werd vastgesteld dat hij geen rechtmatig verblijf meer had, waarna verweerder op 7 augustus 2024 een inreisverbod van twee jaar oplegde.

Eiser voerde aan dat hij binnen de redelijke termijn zat zoals bedoeld in artikel 6.5 van het Vreemdelingenbesluit, omdat zijn verblijfsvergunning minder dan twee jaar geleden was verlopen. Verweerder stelde dat deze bepaling niet op eiser van toepassing was omdat hij zijn hoofdverblijf buiten Nederland had gevestigd en geen verlengingsaanvraag had ingediend.

De rechtbank oordeelde dat eiser wel procesbelang had, mede vanwege mogelijke gevolgen voor toekomstige verblijfsaanvragen. Het verweerschrift mocht worden betrokken bij de beoordeling. De rechtbank concludeerde dat eiser niet binnen de redelijke termijn een verlengingsaanvraag had ingediend en dat artikel 6.5 van het Vreemdelingenbesluit daarom niet van toepassing was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het inreisverbod bleef in stand.

Het inreisverbod werd later op 11 november 2025 opgeheven, maar dit deed niet af aan het oordeel over het bestreden besluit. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter E.M.A. Vinken op 15 januari 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het opgelegde inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het inreisverbod blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/12963

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A. van Rosmalen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het door verweerder opgelegde inreisverbod.
1.1.
Met het bestreden besluit van 7 augustus 2024 heeft verweerder aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
1.2.
Verweerder heeft op 2 december 2025 op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft gereageerd op het verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser. Verweerder is met voorafgaand bericht niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1998 en heeft de Indiase nationaliteit. Eiser heeft een verblijfsvergunning gehad voor het volgen van een studie, die geldig was tot
1 december 2022. Na afloop van deze verblijfsvergunning heeft eiser in India verbleven. Op 20 oktober 2023 is eiser Nederland weer ingereisd met een Schengenvisum geldig voor 90 dagen verblijf. Op 14 juli 2024 heeft eiser de Europese Unie verlaten en is bij de uitreiscontrole vastgesteld dat hij geen rechtmatig verblijf (meer) had.
2.1.
Omdat verweerder had vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf (meer) had, heeft hij op 7 augustus 2024 aan eiser een inreisverbod met de duur van twee jaar opgelegd. Bij zienswijze voorafgaand aan het inreisverbod had eiser gesteld dat hij nog in de redelijke termijn [1] zat, omdat zijn verblijfsvergunning (studie) minder dan twee jaar geleden was verlopen, waardoor tegen hem geen inreisverbod kon worden uitgevaardigd. Bij bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de bepalingen waar eiser zich op beroept niet op hem van toepassing zijn omdat hij na zijn studie het Schengengebied heeft verlaten en zijn hoofdverblijf dus buiten Nederland heeft gevestigd. [2]
2.2.
Eiser heeft op 23 juli 2025 een aanvraag gedaan om het inreisverbod op te heffen. Op 11 november 2025 heeft verweerder het inreisverbod opgeheven.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Ten eerste stelt eiser dat al hetgeen reeds is aangevoerd en gesteld als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Ten tweede heeft verweerder aan eiser in strijd met artikel 6.5 van het Vb een inreisverbod opgelegd, omdat eiser nog in de redelijke termijn [3] zat. Verweerder heeft in het besluit ten onrechte gesteld dat er geen sprake is van een redelijke termijn omdat eiser zijn hoofdverblijf heeft verplaatst. Het hoofdverblijf van eiser is namelijk niet relevant voor toepassing van artikel 6.5 van het Vb. Subsidiair voert eiser aan dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser zijn hoofdverblijf heeft verplaatst.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Heeft eiser procesbelang?
5. Verweerder heeft het inreisverbod op 11 november 2025 opgeheven. Met de opheffing van het inreisverbod is al bereikt wat eiser wenste te bereiken met deze procedure. De rechtbank beoordeelt daarom eerst of eiser procesbelang heeft bij de behandeling van zijn beroep.
5.1.
Eiser heeft gesteld dat hij procesbelang heeft in verband met een mogelijke proceskostenveroordeling, toekomstig verblijfsrecht, en schadevergoeding. De rechtbank is van oordeel dat eiser een belang heeft bij deze procedure, met name gelet op de onderbouwde stelling dat het (opgeheven) inreisverbod van invloed kan zijn op toekomstige verblijfsaanvragen van eiser.
Kan het verweerschrift bij de beoordeling worden betrokken?
6. Eiser heeft aangevoerd dat het verweerschrift, dat is ingediend vlak voor de zitting, aanvullende informatie bevat en dus buiten beschouwing moet worden gelaten.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat het verweerschrift bij de beoordeling van dit beroep kan worden betrokken, nu dit niet in strijd is met de goede procesorde. Het gaat namelijk om een verweerschrift dat is ingediend voor de zitting waarbij verweerder van te voren heeft laten weten vanwege capaciteitsgebrek niet aanwezig te kunnen zijn. Daarbij bevat het verweerschrift geen nieuwe standpunten maar slechts een onderbouwing van een reeds ingenomen standpunt.
Herhaald en ingelast
7. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van al hetgeen eiser eerder heeft aangevoerd, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
Mocht verweerder aan eiser een inreisverbod opleggen?
8. Uit artikel 6.5, eerste lid, van het Vb volgt dat verweerder geen inreisverbod kan uitvaardigen indien de redelijke termijn als bedoeld in artikel 3.82 van het Vb nog niet is verstreken. Artikel 3.82 van het Vb ziet op vreemdelingen die te laat om verlenging van de geldigheidsduur van hun verblijfsvergunning hebben gevraagd, maar die nog wel binnen een redelijke termijn een daartoe strekkende aanvraag hebben ingediend. [4]
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan eiser een inreisverbod mocht opleggen. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de stelling van eiser dat verweerder geen inreisverbod kan uitvaardigen omdat de redelijke termijn [5] nog niet was verstreken, niet kan worden gevolgd. Artikel 6.5 van het Vb is namelijk niet van toepassing op eiser. Eiser zat ten tijde van het inreisverbod niet in de redelijke termijn [6] want niet gebleken of gesteld is dat hij na het verstrijken van zijn verblijfsvergunning een aanvraag heeft ingediend voor de verlenging hiervan. De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F. Elzenaar, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 3.82 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) juncto paragraaf B1/6.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
2.Dit volgt uit lid 2 van artikel 3.82 van het Vb, aldus verweerder.
3.Als bedoeld in artikel 3.82 van het Vb.
4.Zie Commentaar Migratierecht op artikel 6.5, eerste lid, van het Vb.
5.Als bedoeld in artikel 3.82 van het Vb.
6.Als bedoeld in artikel 3.82 van het Vb.