Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13996

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
NL26.26174
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b, derde lid, Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.1b, vierde lid, Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.3, eerste lid, Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring in vreemdelingenzaak afgewezen

Eiser, een Bulgaarse vreemdeling, werd op 8 mei 2026 in bewaring gesteld wegens risico op onttrekking aan toezicht en het ontwijken van de uitzettingsprocedure. Hij betwistte de zware gronden voor bewaring, met name dat hij zijn verblijf in Nederland niet effectief had beëindigd en dat hij niet zou terugkeren naar Bulgarije.

De rechtbank oordeelde dat de zware gronden 3b, 3c en 3i terecht aan de maatregel ten grondslag lagen. Eiser had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij zijn leven buiten Nederland had opgebouwd en verklaarde meerdere malen niet te willen terugkeren naar Bulgarije. De rechtbank vond dat verweerder voldoende had onderzocht of een lichter middel mogelijk was en dat de belangenafweging zorgvuldig was gemaakt.

Verder was de informatiebrief ondanks een niet aangekruist onderdeel voldoende duidelijk over de gronden van de bewaring, waardoor eiser niet onjuist was geïnformeerd. De stellingen over stress en psycho-emotionele problemen waren onvoldoende onderbouwd. De ambtshalve toets leidde niet tot onrechtmatigheid van de maatregel.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.26174

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).

Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep aanvankelijk op 20 mei 2026 ter zitting willen behandelen. Bij bericht van 19 mei 2026 heeft eiser verzocht het beroep buiten zitting af te doen. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen. Op 19 mei 2026 heeft eiser de gronden van het beroep ingediend. Op 21 mei 2026 heeft verweerder hierop gereageerd. Op 22 mei 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [datum] 1993 en heeft de Bulgaarse nationaliteit.
Maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat deze wordt gevorderd in het belang van de openbare orde, omdat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Als zware gronden [2] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
  • 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
  • 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
  • 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
En als lichte gronden [3] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
  • 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
  • 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist de zware grond 3c. Hiertoe voert hij aan dat het door verweerder gehanteerde verwijderingsbesluit uit 2021 reeds is uitgewerkt, omdat hij nadien tweemaal is teruggekeerd naar Bulgarije en dus zijn verblijf in Nederland effectief heeft beëindigd. Sinds zijn laatste terugkeer naar Nederland is geen nieuw verwijderingsbesluit opgelegd, zodat geen sprake is van vastgesteld onrechtmatig verblijf.
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de zware gronden 3b, 3c en 3i terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Verweerder mag bij het tegenwerpen van onder meer de zware gronden 3b, 3c en 3i volstaan met een toelichting waaruit blijkt dat deze gronden zich feitelijk voordoen. [4] Ten aanzien van zware grond 3b stelt de rechtbank vast dat eiser zelf heeft verklaard geen melding te hebben gedaan van zijn onrechtmatig verblijf in Nederland. [5] Daarmee is deze grond feitelijk juist. Zware grond 3c acht de rechtbank eveneens feitelijk juist. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd en hiermee gevolg heeft gegeven aan het verwijderingsbesluit. Het is aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij buiten Nederland een bestendig leven heeft opgebouwd. Hij heeft echter op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat hij het centrum van zijn leven buiten Nederland heeft verplaatst. Daarbij is ook van belang dat hij eerder in augustus 2023 en september 2024 is uitgezet naar Bulgarije en op 8 mei 2026 bedelend is aangetroffen in Nederland en dat hij tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard dat hij ieder jaar meerdere maanden naar Nederland komt om te werken. Tot slot acht de rechtbank zware grond 3i eveneens feitelijk juist. Eiser heeft immers meerdere malen verklaard niet terug te kunnen of te willen terugkeren naar Bulgarije. [6] Deze zware gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. De overige gronden behoeven daarom geen verdere bespreking.
Informatiebrief
5. Eiser voert aan dat verweerder in de informatiebrief ten onrechte niet heeft aangekruist dat de maatregel van bewaring wordt gevorderd in het belang van de openbare orde. Hij is hierdoor onjuist geïnformeerd, wat in strijd is met artikel 5.3, eerste lid, van het Vb en aanleiding geeft tot opheffing van de bewaring dan wel een belangenafweging die uitvalt in zijn voordeel.
6. De rechtbank overweegt dat hoewel verweerder in de informatiebrief niet heeft aangekruist dat de maatregel van bewaring wordt gevorderd in het belang van de openbare orde, voldoende duidelijk is op welke gronden de maatregel aan eiser is opgelegd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de wel aangekruiste onderdelen blijkens de structuur van de brief een nadere uitwerking vormen van het onderdeel ‘openbare orde’. Verder blijkt uit de brief voldoende duidelijk dat de maatregel is opgelegd wegens risico op onttrekking aan het toezicht en het ontwijken en belemmering van de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure. Eiser is daardoor niet onjuist geïnformeerd of in zijn belangen geschaad. Hierbij acht de rechtbank van belang dat eiser bekend was met de mogelijkheid rechtsbijstand te verkrijgen en beroep heeft kunnen instellen. Ook is van belang dat tijdens het gehoor voorafgaand aan de oplegging van de maatregel eiser is bijgestaan door zijn gemachtigde en de betrokken medewerker de gronden van maatregel met eiser en zijn gemachtigde heeft doorgenomen alvorens tot daadwerkelijke oplegging van de maatregel is overgegaan.
Lichter middel
7. Verder voert eiser aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel. Verweerder heeft geen kenbare belangenafweging gemaakt en onvoldoende rekening gehouden met eisers persoonlijke omstandigheden, waaronder de stress die hij ervaart door de bewaring en dat het psycho-emotioneel niet goed met hem gaat. Ook heeft verweerder onvoldoende onderzoek verricht naar zijn situatie en een vertrekmogelijkheid alvorens hem in bewaring te stellen. Er had met een minder dwingende maatregel kunnen volstaan.
8. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit de maatregel van bewaring blijkt voldoende dat verweerder heeft onderzocht of met een lichter middel kon worden volstaan en dat in dat kader een belangenafweging heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft daarbij onder meer betrokken dat eiser meerdere malen is teruggekeerd naar Nederland na zijn uitzettingen en heeft verklaard niet naar Bulgarije te willen terugkeren. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat een lichter middel niet doeltreffend kon worden toegepast. Ten aanzien van eisers stellingen dat hij stress ervaart door de bewaring en dat het psycho-emotioneel niet goed met hem gaat, overweegt de rechtbank dat deze stellingen niet nader zijn onderbouwd. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat eiser in het detentiecentrum toegang heeft tot medische zorg die gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Verweerder heeft tot slot voldoende gemotiveerd dat evenmin is gebleken van omstandigheden die bewaring voor eiser onredelijk bezwarend maken.
Ambtshalve toets
9. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van
bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond; en
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 28 mei 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 maart 2020,
5.Proces-verbaal van gehoor van 8 mei 2026, p. 4 van 8.
6.Proces-verbaal van gehoor van 8 mei 2026, p. 6 van 8.