Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13983

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
NL26.27715
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 VwArt. 59 VwArt. 5.1b Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling wegens risico op onttrekking toezicht

Eiser, een Algerijnse vreemdeling, werd op 16 mei 2026 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat hij onrechtmatig was opgehouden omdat de ophouding niet op de juiste wettelijke grondslag zou zijn gebaseerd. De rechtbank oordeelde dat de ophouding terecht was gebaseerd op artikel 50, derde lid, van de Vw, omdat eiser een foto van een paspoort toonde die voldoende duidelijkheid gaf over zijn identiteit.

Verweerder voerde als zware gronden voor bewaring onder meer dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze was binnengekomen en dat hij had aangegeven niet te zullen terugkeren naar Algerije. Eiser betwistte slechts één zware grond, namelijk dat hij zich aan toezicht zou hebben onttrokken, maar dit werd door de rechtbank niet relevant geacht omdat andere zware gronden voldoende waren.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring rechtmatig was en dat er geen feiten of omstandigheden waren die de bewaring onrechtmatig maakten. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Ook werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.27715

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 16 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. S.A.M. Fikken als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1981 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
Ophouding
2. Eiser meent dat hij op onjuiste grondslag is opgehouden. Een ophouding kan zijns inziens alleen plaatsvinden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw indien een authentiek paspoort voorhanden is. Hij had dan ook op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw opgehouden moeten worden.
3. Bij ophouding op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw is het niet vereist dat de identiteitsgegevens vaststaan door middel van echt bevonden identiteitsdocumenten. Uit het proces-verbaal bevindingen van 17 mei 2026 blijkt dat eiser op zijn mobiele telefoon een foto van een Algerijns paspoort heeft getoond. De verbalisant zag deze was voorzien van een gelijkende pasfoto en naamgegevens zoals eiser hem eerder had opgegeven. Bij de aanvang van de ophouding was het dan ook voor verweerder genoegzaam duidelijk wie eiser is en dat hij geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder er in dit geval voor mocht kiezen om eiser op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw op te houden.
Maatregel van bewaring
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden [2] vermeld dat eiser:
- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;- 3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;- 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden [3] vermeld dat eiser:
- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Verweerder heeft ter zitting de zware grond 3f laten vallen, zodat deze niet langer ten grondslag ligt aan de maatregel.
6. Eiser betwist de zware grond 3b. Hij was Nederland net binnengekomen dus kan hij zich nog niet hebben onttrokken aan het toezicht.
7. De zware grond 3a is terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd. Eiser was bij zijn eerste binnenkomst in Nederland niet in het bezit van een reis- of identiteitsdocument, noch van een geldig visum of andere toestemming om Nederland binnen te reizen. Zware grond 3a is dan ook feitelijk juist. Ook de zware grond 3i is feitelijk juist. Eiser heeft immers meermaals verklaard niet te willen terugkeren naar Algerije. Deze hiervoor genoemde zware gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te dragen. Verweerder heeft op grond hiervan terecht een risico aangenomen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Wat eiser heeft aangevoerd over de zware grond 3b behoeft geen nadere bespreking, omdat dit niet kan leiden tot de conclusie dat de bewaring onrechtmatig is.
Ambtshalve toets
8. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de bewaring onrechtmatig moet worden geacht.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 28 mei 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Op grond van artikel 5.1b, eerste, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.