Verzoekster heeft een asielaanvraag ingediend en meerdere keren beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op deze aanvraag. De minister heeft de aanvraag met een besluit van 13 januari 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en tevens een voorlopige voorziening gevraagd.
Op 3 april 2026 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening behandeld, waarbij verzoekster het beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft ingetrokken. De rechtbank heeft op dezelfde dag uitspraak gedaan op het samenhangende beroep en dit gegrond verklaard.
Omdat het samenhangende beroep gegrond is verklaard, acht de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer nodig en wijst het verzoek af. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoekster, een bedrag van € 934,-.