Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13957

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
09.195248.24
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak witwassen ondanks aanwezigheid contant geld in woning verdachte

Op 14 juni 2024 vond een doorzoeking plaats in de woning van de verdachte en haar medeverdachte, waarbij een contant geldbedrag van €40.100,- werd aangetroffen. De verdachte verklaarde niets van het geld te weten, terwijl de medeverdachte toegaf dat het geld van hem was.

De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 60 dagen, waarvan 47 voorwaardelijk, wegens witwassen. De verdediging bepleitte vrijspraak. De rechtbank oordeelde dat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend was bewezen, omdat onvoldoende vaststond dat de verdachte wetenschap had van het geldbedrag of beschikkingsmacht erover bezat.

De rechtbank hoefde daardoor niet te beoordelen of de verdachte in vereniging met de medeverdachte had witgewassen. Wel werd het geldbedrag verbeurdverklaard, aangezien de medeverdachte hiervoor was veroordeeld. De voorlopige hechtenis van de verdachte werd opgeheven en zij werd vrijgesproken van het witwassen.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van witwassen; het geldbedrag wordt verbeurdverklaard vanwege veroordeling medeverdachte.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/195248-24
Datum uitspraak: 15 mei 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 24 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Briejer en van hetgeen door de verdachte en haar raadsvrouw mr. L.A. Sjadijeva naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 14 juni 2024, te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (van) een (een) geldbedrag(en) (te weten €40.100,-), althans een of meer voorwerpen
Sub a
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)
Sub b
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde en gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 47 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Verdere standpunten van de officier van justitie komen hierna aan de orde voor zover relevant voor enige te nemen beslissing.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.
Verdere standpunten van de raadsman komen hierna aan de orde voor zover relevant voor enige te nemen beslissing.
3.3.
Vrijspraak
De rechtbank is van oordeel dat het tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend is bewezen en overweegt daartoe als volgt.
Op 14 juni 2024 heeft een doorzoeking plaats gevonden in de woning waar de verdachte samenwoont met haar vriend en medeverdachte, [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). In de keuken, op een eetkamerstoel onder een metalen deksel, is een contant geldbedrag van in totaal € 40.100,- aangetroffen.
De verdachte heeft verklaard dat zij niets afwist van het aangetroffen contante geldbedrag. [medeverdachte] heeft verklaard dat het geldbedrag van hem is.
De rechtbank kan op basis van de inhoud van het dossier niet meer vaststellen dan dat de verdachte aanwezig was in de woning waar zij woonde en waar het geldbedrag – onder een deksel op een eetkamerstoel – is aangetroffen, dat dure kledingstukken in het huis aanwezig waren en dat haar (lage) inkomen destijds enkel bestond uit overboekingen door met name [medeverdachte] . Deze omstandigheden roepen vragen op, maar leveren onvoldoende bewijs op om buiten redelijke twijfel vast te stellen dat verdachte wetenschap van en beschikkingssmacht over het aangetroffen geldbedrag had. De rechtbank komt vervolgens niet meer toe aan de vraag of verdachte al dan niet in nauwe samenwerking met [medeverdachte] geld heeft witgewassen.
De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van het aan haar ten laste gelegde witwassen.

4.De inbeslaggenomen voorwerpen

4.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage aan dit vonnis is gehecht) onder 1 genoemde voorwerp, te weten een geldbedrag van € 40.100,-, zal worden verbeurdverklaard.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich uiteindelijk op het standpunt gesteld dat het geldbedrag dient te worden teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde medeverdachte [medeverdachte] .
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien dit geldbedrag blijkens de verklaring van de verdachte en de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] aan hem toebehoort en [medeverdachte] bij vonnis van heden is veroordeeld voor het witwassen van datzelfde geldbedrag. Daarmee staat vast dat met betrekking tot dit voorwerp het in de zaak van [medeverdachte] onder 3 bewezenverklaarde feit is begaan.

5.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen: 33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

6.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten: 40100 EUR.
Dit vonnis is gewezen door
mr. P. van Essen, voorzitter,
mr. M.C. Ritsema van Eck- van Drempt, rechter,
mr. C.A.W. Zijlstra, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. R. Claessens, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 mei 2026.