ECLI:NL:RBDHA:2026:13946

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
09.195244.24 (ontneming)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 420bis SrArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na veroordeling witwassen en drugshandel

De rechtbank Den Haag heeft op 15 mei 2026 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen de veroordeelde, die eerder is veroordeeld voor witwassen en het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne en voorbereidingshandelingen voor handel daarin.

De rechtbank heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op €84.711,37, gebaseerd op een eenvoudige kasopstelling over de periode van 1 januari 2020 tot 14 juni 2024. Hierbij zijn contante stortingen, inkoop van drugs, money transfers, levensonderhoud en leningen betrokken. De verdediging voerde onder meer aan dat het voordeel nihil zou moeten zijn, maar kon dit niet aannemelijk maken.

De betalingsverplichting is vastgesteld op €35.667,07, waarbij rekening is gehouden met de waarde van verbeurdverklaarde voorwerpen en contant geld. De rechtbank bepaalde tevens de maximale duur van gijzeling op 356 dagen, conform wettelijke bepalingen.

De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en heeft een reparatoir karakter, gericht op het ontnemen van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde.

Uitkomst: De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €84.711,37 en legt een betalingsverplichting op van €35.667,07 met een gijzelingstermijn van 356 dagen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/195244-24 (ontneming)
Datum uitspraak: 15 mei 2026
Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het openbaar ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 24 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt dat de officier van justitie mr. A. Briejer op de terechtzitting heeft ingenomen en van hetgeen door de veroordeelde en zijn raadsman mr. H. Raza op de terechtzitting naar voren is gebracht.

2.De inhoud van de vordering

De inleidende schriftelijke vordering van het openbaar ministerie strekt ertoe dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van € 114.411,73 en aan de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van dat bedrag.

3.De grondslag voor ontneming

De veroordeelde is bij vonnis van heden door deze rechtbank veroordeeld wegens de volgende strafbare feiten:
- opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
- om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
- witwassen.
De veroordeelde heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen van een geldbedrag van
€ 41.235,-. De Hoge Raad heeft in eerdere rechtspraak overwogen dat de enkele omstandigheid dat een goed, zoals een geldbedrag, voorwerp is van het bewezenverklaarde misdrijf witwassen, niet met zich brengt dat alleen al daarom dat goed wederrechtelijk verkregen voordeel vormt (zie o.a. ECLI:NL:HR:2013:BY5217).
Het uit misdrijf afkomstige geldbedrag ten aanzien waarvan witwasgedragingen worden verricht, kan niet gelden als voordeel dat door die witwasgedragingen wordt verkregen. Dat geldbedrag is immers al uit (een ander) misdrijf afkomstig en vormt dus de opbrengst van dat (andere) misdrijf, dat vooraf is gegaan aan de witwasgedragingen.
Dat sluit niet uit dat het verrichten van witwasgedragingen op een andere wijze wederrechtelijk voordeel heeft opgeleverd voor de veroordeelde. Daarvan kan sprake zijn als bij de veroordeelde als gevolg van het verrichten van witwasgedragingen een vermogensvermeerdering is opgetreden, bijvoorbeeld in de vorm van een beloning of een positief rendement.
In deze zaak is niet gebleken van een vermogensvermeerdering in de vorm van een beloning of een positief rendement. Uit het onderzoek kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat de veroordeelde door middel van of uit de baten van het bewezen verklaarde witwassen wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Datzelfde geldt voor het bewezenverklaarde opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 350 gram cocaïne en het plegen van voorbereidingshandelingen voor de handel daarin. De grondslag voor ontneming van wederrechtelijk voordeel kan daarom niet worden ontleend aan een veroordeling wegens een strafbaar feit als bedoeld in artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
Daarmee is niet uitgesloten dat ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op een andere grondslag dan artikel 36e, eerste lid, Sr wordt gebaseerd.
Uit artikel 36e, derde lid, Sr volgt dat ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ook mogelijk is, indien aannemelijk is dat andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Dat kan als de veroordeling een misdrijf betreft dat bedreigd wordt met een geldboete van de vijfde categorie.
In deze zaak is sprake van een veroordeling wegens witwassen. Dat is een misdrijf waarvoor, zonder daarbij strafverhogende omstandigheden in aanmerking te nemen, volgens art. 420bis Sr een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Bij een veroordeling wegens witwassen is steeds sprake van andere strafbare feiten. Dat volgt alleen al uit de aard van dat delict. Witwashandelingen hebben volgens de delictsomschrijving in Sr immers per definitie betrekking op voorwerpen die afkomstig zijn uit enig misdrijf. Uit de bewezenverklaring van het witwasdelict volgt dus dat sprake is van een daaraan voorafgaand gepleegd gronddelict. Welke strafbare feiten dat zijn en door wie deze zijn gepleegd kan niet worden geconcretiseerd. De rechtbank laat in het midden of de pleger daarvan mogelijk iemand anders is geweest dan de veroordeelde.
De veroordeelde had de beschikking over geldbedragen waarmee hij witwashandelingen heeft verricht. Aannemelijk is dat de veroordeelde op de een of andere manier wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit andere strafbare feiten. Op grond van het voorgaande dient in deze zaak de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel gegrond te worden op artikel 36e, derde lid, Sr.

4.De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij de vordering gepersisteerd.
De officier van justitie heeft zich bij de berekening gebaseerd op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: ontnemingsrapport), opgemaakt op 18 september 2024. De conclusie van het ontnemingsrapport is, dat het door de veroordeelde totale wederrechtelijk verkregen voordeel € 114.411,73 bedraagt.
In het ontnemingsrapport wordt uitgegaan van de volgende contante uitgaven van de veroordeelde:
Contante stortingen: € 53.399,19
Inkoop drugs: € 7.809,30
Money transfers: € 4.868,10
Contante uitgaven voeding volgens Nibud: € 17.519,08
Leningen: € 11.162,-
Totale contante uitgaven: € 94.757,67
De eenvoudige kasopstelling is op grond van het ontnemingsrapport als volgt:
(a) Beginsaldo contant geld: € 2.000,-
+/+ (b) Legale contante ontvangsten: € 19.580,94
–/– (c) Eindsaldo contant geld: € 41.235,-
----------------------------------------------------------------------------------------------------------
(d) Beschikbaar voor het doen van uitgaven: € –19.654,06
–/– (e) Werkelijke contante uitgaven € 94.757,67
----------------------------------------------------------------------------------------------------------
(f) Verschil (onverklaarbare uitgaven): € –114.411,73
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel daarom moet worden geschat op een bedrag van
€ 114.411,73.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op de terechtzitting van 24 april 2026 primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak in de strafzaak. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op nihil, nu de veroordeelde een concrete en verifieerbare verklaring heeft afgelegd over de aangetroffen contante geldbedragen. Meer subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op een lager bedrag moet worden geschat, omdat de uitgangspunten voor de berekening onjuist zijn. Dat geldt in het bijzonder voor het door de officier van justitie gestelde bedrag aan contante stortingen (€ 53.399,19), waarvan onduidelijk is hoe dat bedrag tot stand is gekomen.
4.3.
Bewijsmiddelen
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal in het onderzoek LOCURA, nummer: DH11024001, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag centrum, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 274).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen.
1. De gebruikte bewijsvoering in het vandaag gewezen vonnis van deze rechtbank in de strafzaak tegen de veroordeelde. Deze bewijsvoering neemt de rechtbank hier over en is (voor de leesbaarheid) als
bijlageaan dit vonnis gehecht. De voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel redengevende feiten en omstandigheden ontleent de rechtbank rechtstreeks aan de in de strafzaak gebezigde bewijsmiddelen. In de ontnemingszaak verbindt de rechtbank op grond van dezelfde overwegingen dezelfde gevolgtrekkingen aan die bewijsmiddelen als in de strafzaak;
2. Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel dat op 18 september 2024 is opgemaakt;
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 27 augustus 2024, in zijn geheel (p. 223-227);
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 2 juli 2024, in zijn geheel (p. 212-216).
4.4.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank gaat voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de volgende berekening. De bij deze berekening gebruikte aantallen en bedragen ontleent de rechtbank aan de inhoud van de genoemde wettige bewijsmiddelen. Redengevend voor deze schatting zijn de daar vermelde feiten, omstandigheden en gevolgtrekkingen.
De rechtbank overweegt in aanvulling daarop nog het volgende.
Bewijsvermoeden
Hiervoor is overwogen dat in deze zaak de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt gegrond op artikel 36e, derde lid, Sr. In geval van toepassing van dat derde lid kan worden uitgegaan van een bewijsvermoeden. Dat vermoeden houdt in dat alle gedane uitgaven evenals alle vergaarde voorwerpen in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van het delict, wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen. Het bewijsvermoeden kan worden weerlegd als aannemelijk is dat deze uitgaven en voorwerpen uit een legale bron van inkomsten komen. Van de verdediging mag daarom worden verlangd om aan de hand van voldoende concrete en verifieerbare gegevens te onderbouwen dat sprake is van een legale bron van inkomsten.
Eenvoudige kasopstelling
Op 27 augustus 2024 is met betrekking tot de veroordeelde een eenvoudige kasopstelling opgemaakt. Voor de berekening van de kasopstelling is een onderzoeksperiode van 1 januari 2020 tot en met 14 juni 2024 aangehouden. Bij een eenvoudige kasopstelling worden de beschikbare legale contante gelden vergeleken met de totale contante uitgaven. Omdat niet meer kan worden uitgegeven dan (legaal) aan inkomsten is binnengekomen, wordt – indien er geen aannemelijke verklaring volgt voor het verschil – het negatieve verschil tussen de inkomsten en uitgaven aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank volgt bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel deels de kasopstelling die in het proces-verbaal van bevindingen betreffende de kasopstelling is opgemaakt. In het navolgende zal de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel berekenen en ingaan op de punten waar zij afwijkt van de op de terechtzitting gewijzigde vordering. Ook zal de rechtbank de verweren van de verdediging bespreken.
Geen economische eenheid
De rechtbank zal, in afwijking van de kasopstelling, de contante geldstromen en het vermogen van de vriendin van de veroordeelde, [naam] (hierna: [naam] ), niet betrekken bij de berekening van zijn wederrechtelijk verkregen voordeel.
(a) Beginsaldo contant geld
Uit het proces-verbaal betreffende de kasopstelling volgt dat het beginsaldo aan contant geld van de veroordeelde € 2.000,- bedroeg, aangezien op 3 januari 2020 een storting van datzelfde bedrag is gedaan. Het openbaar ministerie is ervan uitgegaan dat de veroordeelde dit geldbedrag voorhanden had op 1 januari 2020. Verder is niet gebleken dat de veroordeelde over andere contante geldbedragen beschikte aan het begin van de onderzoeksperiode.
Het beginsaldo contant geld is niet betwist door de verdediging. De rechtbank zal gelet op het voorgaande uitgaan van een beginsaldo contant geld van
€ 2.000,-.
(b) Legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen
In het proces-verbaal betreffende de kasopstelling is onderzocht uit welke bronnen de veroordeelde legale contante inkomsten heeft ontvangen. Daaruit volgt onder meer dat de veroordeelde in de onderzoeksperiode een money transfer van
€ 1.500,-heeft ontvangen. Wat betreft de inkomsten uit loon is gebleken dat dit giraal werd betaald aan de veroordeelde en dat niet aannemelijk was dat hij daarnaast nog contante inkomsten uit loon heeft ontvangen.
In de kasopstelling wordt uitgegaan van een bedrag van € 18.080,94 aan contante opnamen van de bankrekening van de veroordeelde. Dat komt niet overeen met het bedrag aan contante opnamen dat volgt uit het onderzoek naar de bankrekening van de veroordeelde gedateerd 2 juli 2024. In dat proces-verbaal staat vermeld dat de veroordeelde voor een bedrag van in totaal
€ 16.043,65, bestaande uit een bedrag van € 15.343,65 en een bedrag van € 700,-, aan contante opnamen heeft gedaan. De rechtbank zal daarom, in afwijking van de kasopstelling, uitgaan van een bedrag van € 16.043,65 aan contante opnamen.
De raadsman heeft namens de veroordeelde bepleit dat de veroordeelde in de onderzoeksperiode een erfenis heeft ontvangen en daarmee een concrete en verifieerbare verklaring heeft gegeven voor legale contante ontvangsten in de onderzoeksperiode. De rechtbank heeft in de strafzaak geoordeeld dat de verklaring van de veroordeelde daaromtrent niet valt te verifiëren en dus ook niet aannemelijk is geworden. Dat oordeel is in de ontnemingsprocedure niet anders.
De rechtbank gaat gelet op het voorgaande uit van een bedrag van
€ 17.543,65 (€ 16.043,65 + € 1.500,-)aan totale legale contante ontvangsten gedurende de onderzoeksperiode.
(c) Eindsaldo contant geld
Uit het proces-verbaal betreffende de kasopstelling volgt dat het eindsaldo aan contant geld van de veroordeelde € 41.235,- bedroeg. Op 14 juni 2024 zijn bij de veroordeelde op zak en in zijn woning contante geldbedragen, van respectievelijk
€ 1.135,-en
€ 40.100,-, aangetroffen.
Het eindsaldo contant geld is niet betwist door de verdediging. De rechtbank zal gelet op het voorgaande uitgaan van een eindsaldo contant geld van
€ 41.235,-.
(e) Werkelijke contante uitgaven inclusief bankstortingen
Contante geldstortingen
In de kasopstelling wordt uitgegaan van een bedrag van € 53.399,19 aan contante stortingen op de bankrekening van de veroordeelde. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat onduidelijk is waar dat bedrag op gebaseerd is. Het komt immers niet overeen met het bedrag aan contante stortingen dat volgt uit het onderzoek naar de bankrekening van de veroordeelde gedateerd 2 juli 2024. In dat proces-verbaal staat vermeld dat de veroordeelde voor een bedrag van € 31.543,66 aan contante stortingen heeft gedaan. De rechtbank zal daarom, in afwijking van de kasopstelling, uitgaan van een bedrag van
€ 31.543,66aan contante stortingen.
Aangetroffen drugs
Op 14 juni 2024 is bij de doorzoeking van de kelderbox van de veroordeelde in totaal ongeveer 350,9 gram cocaïne aangetroffen. Uit het proces-verbaal betreffende de kasopstelling volgt dat de veroordeelde daarvoor € 7.809,30 aan inkoopkosten heeft betaald. De inkoopprijs is berekend aan de hand van het document ‘Prijzen Drugs &
(Pre-)Precursoren’ van het Cluster Synthetische Drugs. Daaruit volgt dat de gemiddelde groothandelprijs van cocaïne in 2022 € 22.255,- per kilo was. Dat leidt tot de volgende berekening: 0,3509 kilogram x € 22.255,- = (afgerond) € 7.809,30.
Er heeft geen girale betaling plaatsgevonden die betrekking heeft op deze uitgave, zo volgt uit de analyse van de banktransacties van de veroordeelde. Gelet daarop kan worden vastgesteld dat de betaling van € 7.809,30 contant is verricht. Deze betaling heeft de verdediging niet betwist.
De rechtbank zal de uitgave van
€ 7.809,30dan ook aanmerken als wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde.
Money transfers
Uit het proces-verbaal betreffende de kasopstelling volgt dat de veroordeelde gedurende de onderzoeksperiode een totaalbedrag van € 4.668,10 naar personen in Turkije heeft gezonden door middel van money transfers met contant geld. Deze betalingen zijn niet betwist door de verdediging.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het totaalbedrag
€ 4.668,10betrekken bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde.
Levensonderhoud
Uit de analyse van de bankrekening van de veroordeelde is gebleken dat hij weinig girale uitgaven deed die betrekking hadden op het huishouden en voeding. De politie concludeerde daarom in het proces-verbaal betreffende de kasopstelling dat deze uitgaven vermoedelijk contant werden gedaan.
In de kasopstelling wordt onder verwijzing naar het Nibud Budgethandboek 2020 uitgegaan van een minimumbedrag aan kosten voor voeding van € 6,75 per dag voor de veroordeelde. De onderzoeksperiode bestond uit 1603 dagen, waarmee het totaalbedrag aan uitgaven voor voeding neerkomt op € 10.820,25.
De veroordeelde heeft gedurende de onderzoeksperiode € 2.983,29 uitgegeven aan voeding, volgt uit de analyse van hun banktransacties. Het totaalbedrag aan uitgaven voor voeding is gelet op het voorgaande (€ 10.820,25 – € 2.983,29 =) € 7.836,96.
Deze uitgaven heeft de verdediging niet betwist. De rechtbank zal het totaalbedrag aan uitgaven van
€ 7.836,96dan ook aanmerken als wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde.
Leningen
Uit de analyse van de bankrekening van de veroordeelde is gebleken dat hij gedurende de onderzoeksperiode voor een bedrag van € 11.162,- van verschillende personen heeft ontvangen met als omschrijving ‘lening’ of iets soortgelijks. Er waren geen tegenbetalingen zichtbaar gedurende de onderzoeksperiode, waardoor de politie het aannemelijk achtte dat de tegenbetalingen contant zijn gedaan.
De veroordeelde heeft hierover het volgende verklaard. Vrienden van hem kwamen langs bij zijn werk, in een café, om te gokken en vroegen daarvoor contant geld aan de veroordeelde. De veroordeelde gaf hen contant geld en de betreffende vrienden maakten het geld dan over naar de rekening van de veroordeelde met als omschrijving ‘lening’.
Gelet op de verklaring van de veroordeelde kan worden vastgesteld dat hij het totaalbedrag van
€ 11.162,-contant heeft uitgegeven. De rechtbank zal dat bedrag dan ook aanmerken als wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde.
Tussenconclusie werkelijke contante uitgaven
Gelet op het proces-verbaal van bevindingen betreffende de kasopstelling en hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen stelt de rechtbank vast dat de veroordeelde de volgende feitelijke contante uitgaven heeft gedaan:
Contante geldstortingen: € 31.543,66
Aangetroffen drugs: € 7.809,30
Money transfers: € 4.668,10
Levensonderhoud: € 7.836,96
Leningen: € 11.162,-
Totaal: € 63.020,02
(f) Verschil (onverklaarbare uitgaven)
Bij de berekening van het bedrag waarop het genoten voordeel moet worden geschat, gaat de rechtbank uit van de berekening van de volgende eenvoudige kasopstelling:
(a) Beginsaldo contant geld: € 2.000,-
+/+ (b) Legale contante ontvangsten: € 17.543,65
–/– (c) Eindsaldo contant geld: € 41.235,-
----------------------------------------------------------------------------------------------------------
(d) Beschikbaar voor het doen van uitgaven: € –21.691,35
–/– (e) Werkelijke contante uitgaven: € 63.020,02
----------------------------------------------------------------------------------------------------------
(f) Verschil (onverklaarbare uitgaven): € –84.711,37
Uit de kasopstelling volgt dat de veroordeelde in de onderzoeksperiode in totaal € 84.711,37 meer contante uitgaven heeft gedaan dan hij uit enige legale bron(nen) van inkomsten kon verantwoorden. Aangezien de totale contante uitgaven groter waren dan het beschikbare legale contante geld (met andere woorden, het uiteindelijke verschil negatief was), was er dus sprake van onbekende contante ontvangsten. Ten aanzien van deze onbekende contante ontvangstenbron kan worden aangenomen dat deze gelijk is aan het verondersteld wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde.
Nu de veroordeelde geen verifieerbare en onderbouwde verklaring heeft gegeven voor deze onbekende contante ontvangsten inkomsten, is de rechtbank van oordeel dat deze geldbedragen slechts afkomstig kunnen zijn uit strafbare feiten.
4.5.
Conclusie schatting wederrechtelijk verkregen voordeel
Op grond van het voorgaande schat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van
€ 84.711,37.

5.De vaststelling van de betalingsverplichting

5.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de betalingsverplichting moet worden vastgesteld op een lager bedrag dan het door de officier van justitie geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat rekening moet worden gehouden met de waarde van de verbeurdverklaarde voorwerpen. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat het onder de veroordeelde verbeurdverklaarde geldbedrag van € 1.135,- dient te worden verminderd op de vaststelling van de betalingsverplichting. Ten aanzien van het onder [naam] verbeurdverklaarde geldbedrag van € 40.100,- heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de helft van dit bedrag, namelijk € 20.050,-, in mindering dient te worden gebracht op de betalingsverplichting van de veroordeelde gelet op het tenlastegelegde medeplegen.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft betoogd dat de betalingsverplichting moet worden vastgesteld op een lager bedrag dan het wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat rekening moet worden gehouden met de waarde van de verbeurdverklaarde voorwerpen.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal bij het bepalen van de betalingsverplichting rekening houden met het verbeurdverklaarde geldbedrag van € 1.135,- in de strafzaak en de betalingsverplichting verminderen met dit bedrag.
De rechtbank zal ook rekening houden met het, onder [naam] inbeslaggenomen en verbeurdverklaarde, bedrag van € 40.100,-. Weliswaar is het bedrag niet onder de veroordeelde verbeurdverklaard, maar blijkens zijn strafvonnis waarin hij is veroordeeld voor het witwassen van de betreffende € 40.100,-, behoort het geldbedrag aan hem toe. Nu [naam] is vrijgesproken voor het medeplegen van witwassen van het voornoemde geldbedrag, zal het volledige bedrag in mindering worden gebracht op de betalingsverplichting van de veroordeelde.
Voorts overweegt de rechtbank dat de inbeslaggenomen cocaïne, waarvan de veroordeelde ook afstand heeft gedaan, is vernietigd. Gelet op de omstandigheden dat de inbeslaggenomen drugs al door de staat zijn ontnomen, is het naar het oordeel van de rechtbank redelijk om de inkoopprijs ad € 7.809,30, die is gehanteerd in de kasopstelling als contante uitgave, bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van de betalingsverplichting, als reeds aan de veroordeelde ontnomen te beschouwen, mede nu dit van overheidswege is geschied en ook gelet op het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel. Dit bedrag zal dan ook op de betalingsverplichting in mindering worden gebracht.
5.4.
Conclusie vaststelling betalingsverplichting
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank de betalingsverplichting vast op een bedrag van
€ 35.667,07.
De rechtbank zal toepassing geven aan artikel 36e lid 11 Sr. Op grond hiervan dient de rechter thans bij de oplegging van de maatregel de duur van de gijzeling te bepalen, die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd indien volledig verhaal van de opgelegde betalingsverplichting niet mogelijk blijkt. De rechtbank zal die maximale duur bepalen op basis van één dag per te ontnemen € 100,-.
Gelet op het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel van € 35.667,07, zal de rechtbank de duur van de gijzeling vaststellen op 356 dagen.

6.Het toepasselijke wetsartikel

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

7.De beslissing

De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 84.711,37;
legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van
€ 35.667,07aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 356 dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. P. van Essen, voorzitter,
mr. M.C. Ritsema van Eck- van Drempt, rechter,
mr. C.A.W. Zijlstra, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. R. Claessens, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 mei 2026.