Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.De procedure
2.Het geschil in het hoofdzaak en in het incident
3.De beoordeling in het incident
4.De beslissing
8 juli 2026voor conclusie van antwoord aan de zijde van [partij B] ;
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
In deze zaak vordert [partij A] B.V. betaling van € 75.000 van [partij B], die in Portugal woont, wegens een niet-terugbetaalde geldlening voor woningrenovatie. [partij B] betwist de Nederlandse bevoegdheid en stelt dat de Portugese rechter bevoegd is, mede omdat de overeenkomst met haar ex-partner is gesloten en er een mediationprocedure in Portugal loopt.
De rechtbank beoordeelt de internationale bevoegdheid aan de hand van de Brussel I bis-Verordening. Hoewel de hoofdregel is dat de rechter van de woonplaats van de gedaagde bevoegd is, kan op grond van artikel 7 lid 1 onder Pro a Brussel I bis-Vo de rechter van de plaats van uitvoering bevoegd zijn. De rechtbank stelt vast dat de plaats van uitvoering in Nederland is, omdat de geldlening door [partij A] in Nederland is verstrekt en Nederlands recht van toepassing is.
De rechtbank verwerpt het verweer dat [partij B] als consument handelt onder de beschermende bepalingen van Brussel I bis-Vo, omdat onvoldoende is gesteld dat [partij A] commerciële activiteiten in Portugal ontplooit. Ook het beroep op litispendentie wordt afgewezen omdat de procedures niet tussen dezelfde partijen zijn.
Het verzoek tot tussentijds hoger beroep wordt afgewezen wegens gebrek aan bijzondere procesrechtelijke redenen. De proceskosten worden gecompenseerd. De rechtbank verklaart zich internationaal bevoegd en wijst het incident tot onbevoegdheid af.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich internationaal bevoegd en wijst het incident tot onbevoegdheid af.