Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een beroep van eiser tegen de minister van Asiel en Migratie wegens het niet tijdig beslissen op een nareisaanvraag. Eerder had de rechtbank in een uitspraak van 25 februari 2025 bepaald dat de minister binnen acht weken moest beslissen, tenzij nader onderzoek nodig was. De minister heeft deze termijn niet gerespecteerd, waarop eiser beroep instelde.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling, omdat in de eerdere uitspraak een uitdrukkelijke termijn was gesteld. De minister heeft geen verweerschrift ingediend en het is onduidelijk wanneer alsnog een besluit wordt genomen. Daarom legt de rechtbank een nieuwe beslistermijn van twee weken op.
Daarnaast wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank volgt hiermee het beleid om bij opvolgende beroepen een lager tarief te hanteren, tenzij een sterke prikkel nodig is. Tot slot wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser en het griffierecht.