ECLI:NL:RBDHA:2026:13920
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens late besluitvorming
Verzoekster diende beroep in tegen het niet tijdig beslissen van de minister op haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. Nadat de minister alsnog op 23 april 2026 een besluit nam, trok verzoekster haar beroep in en verzocht om vergoeding van haar proceskosten.
De rechtbank oordeelde dat de minister tegemoet was gekomen aan het beroep door alsnog een besluit te nemen. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit Proceskosten bestuursrecht kan de rechtbank in dat geval het bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank wees het verzoek toe en bepaalde de vergoeding op € 467,-, gebaseerd op een wegingsfactor van 0,5 vanwege het lichte gewicht van de zaak. De minister werd tevens veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht. De rechtbank verwierp het standpunt van de minister dat een lagere wegingsfactor van 0,25 van toepassing was.
De uitspraak werd gedaan door rechter R.J.A. Schaaf op 27 mei 2026 zonder zitting.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 467,- en het griffierecht.