ECLI:NL:RBDHA:2026:13858
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toekenning proceskostenvergoeding wegens niet tijdig besluit verblijfsvergunning
Verzoeker diende een beroep in tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning. De minister nam uiteindelijk op 19 februari 2026 alsnog een besluit, waarna verzoeker zijn beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.
De rechtbank oordeelt dat de minister tegemoet is gekomen aan het beroep door alsnog een besluit te nemen. De minister stelde dat het verzoek om proceskostenvergoeding moest worden afgewezen wegens het ontbreken van procesbelang, omdat de termijn voor een rechterlijke dwangsom nog niet was verstreken. De rechtbank volgt dit niet en stelt dat procesbelang blijft bestaan zolang er geen besluit is genomen.
De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding toe en bepaalt een vergoeding van €467,-, gebaseerd op een vast bedrag met een wegingsfactor van 0,5 vanwege het lichte gewicht van de zaak en het inschakelen van een professionele juridische hulpverlener. Er zijn geen overige kosten vergoed.
Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot betaling van €467,- aan proceskosten wegens niet tijdig beslissen op de verblijfsvergunningaanvraag.