ECLI:NL:RBDHA:2026:13804

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
NL26.14749
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht in vreemdelingenzaak

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie waarin het verblijfsrecht van eiser en zijn familieleden is beëindigd en de aanvraag voor duurzaam verblijfsrecht is afgewezen. De rechtbank heeft het beroep zonder zitting behandeld op grond van artikel 8:54 Awb Pro.

De griffier heeft eiser meerdere malen in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen, eerst via een nota en daarna via een herinnering. Ondanks deze aanmaningen is het griffierecht niet binnen de gestelde termijnen voldaan. Eiser heeft geen verschoonbare reden voor het niet betalen van het griffierecht gegeven.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41, zesde lid, Awb. Dit betekent dat het beroep niet inhoudelijk wordt beoordeeld en het bestreden besluit in stand blijft. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht binnen de gestelde termijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.14749

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. A. Orhan),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 december 2025 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat het verblijfsrecht van eiser en zijn familieleden van rechtswege is geëindigd per 1 april 2024. In datzelfde besluit heeft verweerder de aanvragen van eisers en zijn familieleden voor duurzaam verblijfsrecht op grond van het Terugtrekkingsakkoord [1] afgewezen.
Bij besluit van 6 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gerichte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [2] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Iemand die beroep instelt, moet op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb griffierecht betalen. De griffier stelt op grond van artikel 8:41, vierde en vijfde lid, van de Awb een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dit betekent dat het hele bedrag binnen die termijn moet zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn moet zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de rechtbank het beroep op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig betalen van het griffierecht verschoonbaar is.
2. De griffier heeft op 18 maart 2026 een nota verstuurd aan het adres van de gemachtigde van eiser, waarmee eiser in de gelegenheid is gesteld het griffierecht binnen vier weken na dagtekening van die brief te betalen. Het griffierecht is niet binnen de gestelde termijn betaald.
3. Bij aangetekende brief van 16 april 2026 is aan eiser een herinnering tot betaling van het griffierecht verstuurd. Hiermee is eiser nogmaals in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken het griffierecht te betalen.
4. Het griffierecht is niet binnen de voornoemde termijn ontvangen door de rechtbank. Eiser heeft geen verschoonbare reden gegeven voor dit verzuim.
5. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 26 mei 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier en openbaar gemaakt door middel van publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (2019/C 384 I/01).
2.Algemene wet bestuursrecht.