ECLI:NL:RBDHA:2026:13793

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
703193
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • M.P.C. van Essen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorzieningenrechter wijst vorderingen over omgang en contact met hond na relatiebreuk af

Partijen, ex-geliefden, kochten samen een hond waarvan [partij B] als enige eigenaar staat geregistreerd. Na het beëindigen van hun relatie ontstond een geschil over de verdeling van de zorg en omgang met de hond.

[Partij A] vordert dat de hond om de week bij hem verblijft, stellende mede-eigendom. [Partij B] vordert een contact- en locatieverbod wegens stalking-achtig gedrag van [partij A].

De voorzieningenrechter oordeelt dat in kort geding geen definitieve eigendom kan worden vastgesteld en dat onvoldoende aanwijzingen zijn voor mede-eigendom. Ook is de beëindiging van de omgangsafspraak door [partij B] niet onaanvaardbaar. De vorderingen van [partij A] worden daarom afgewezen.

Het stalking-achtige gedrag van [partij A] is erkend, maar onvoldoende aannemelijk dat dit stelselmatig is of herhaling dreigt. Een locatieverbod is daarom niet gerechtvaardigd. Wel moet [partij A] de grens respecteren om [partij B] en de hond niet ongewild te benaderen.

De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd, ieder draagt eigen kosten.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van beide partijen af en compenseert de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel – voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/09/703193 / KG ZA 26-380
Vonnis in kort geding van 26 mei 2026
in de zaak van
[partij A]te [woonplaats] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
hierna te noemen: [partij A] ,
advocaat: mr. G.O. Perquin,
tegen
[partij B]te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
hierna te noemen: [partij B] ,
advocaat: mr. P. Celikkal.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord met eis in reconventie met producties;
- de mondelinge behandeling van 12 mei 2026, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

2.De feiten

2.1.
[partij A] en [partij B] hebben een lat-relatie met elkaar gehad.
2.2.
In juni 2025 zijn partijen op bezoek geweest bij iemand die puppy’s te koop aanbod. Partijen hebben er toen samen een uitgekozen en haar de naam [naam hond] gegeven. De koopprijs was € 800,00. [partij B] heeft de kooprijs aan de verkoper betaald. Vervolgens heeft [partij A] via een Tikkie de helft van dit bedrag overgemaakt aan [partij B] .
2.3.
Op een door Stichting Nederlandse Databank Gezelschapsdieren uitgegeven pasje staat dat [partij B] sinds 29 juni 2025 eigenaar is van [naam hond] . Ook in het dierenpaspoort van [naam hond] is [partij B] als eigenaar vermeld.
2.4.
In de periode na de aankoop heeft [naam hond] regelmatig bij [partij A] verbleven. Ook heeft [partij A] toen van [partij B] diverse Tikkies ontvangen en betaald om bij te dragen aan de kosten van [naam hond] , onder meer voor een hondenriem, (anti)vlooienmiddel en een dierenartsrekening.
2.5.
In augustus 2025 kwam er spanning in de relatie van partijen, waarna in februari 2026 de relatie (definitief) is geëindigd.
2.6.
Tot medio maart 2026 hebben partijen de zorg voor [naam hond] min of meer verdeeld. [naam hond] verbleef dan een aantal dagen bij de één en vervolgens bij de ander.
2.7.
Op 23 maart 2026 heeft [partij B] een e-mail gestuurd aan [partij A] waarin staat (i) dat [partij B] zichzelf beschouwt als de enige eigenaar van [naam hond] , (ii) dat zij met onmiddellijke ingang de toen bestaande afspraak over de verdeling van de zorg beëindigt en (iii) dat zij met [partij A] geen contact meer wil hebben. Op diezelfde datum heeft [partij B] aan [partij A] € 400,00 overgemaakt met als omschrijving “ [naam hond] exit”.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[partij A] vordert – samengevat – dat de voorzieningenrechter bepaalt dat [naam hond] om de week bij [partij A] zal verblijven.
3.2.
[partij A] legt aan de vordering ten grondslag dat partijen samen eigenaar zijn van [naam hond] . Volgens [partij A] heeft hij er daarom recht op dat [naam hond] de helft van de tijd bij hem verblijft. Als mede-eigendom niet wordt aangenomen, vindt [partij A] dat hij (ook dan) wel aanspraak heeft op omgang met [naam hond] .
in reconventie
3.3.
[partij B] vordert – samengevat – dat de voorzieningenrechter aan [partij A] een contact- en locatieverbod oplegt en hem ook verbiedt om [naam hond] te benaderen.
3.4.
[partij B] legt aan de vordering ten grondslag dat [partij A] sinds het einde van de relatie “stalking-achtig gedrag” vertoont. Zij wil dat [partij A] haar en [naam hond] met rust laat.
3.5.
Partijen vinden over en weer dat de vorderingen moeten worden afgewezen. Op hun stellingen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
4.1.
Het gaat hier om een kort geding. In een kort geding is geen ruimte voor definitieve beslissingen. Een bindend antwoord op de vraag wie eigenaar is van [naam hond] , kan de voorzieningenrechter dus niet geven. Dat kan alleen in een bodemprocedure. Wel kan de voorzieningenrechter een ordemaatregel treffen, bijvoorbeeld door te bepalen hoe partijen, in afwachting van de bodemprocedure, de tijd met [naam hond] moeten delen. Zo’n beslissing moet dan wel zoveel mogelijk aansluiten bij wat er van een eventuele bodemprocedure is te verwachten. Dat betekent dat de voorzieningenrechter aan de hand van de beschikbare informatie moet inschatten wat de rechter in een bodemprocedure over [naam hond] zou beslissen.
4.2.
Die inschatting leidt ertoe dat de voorzieningenrechter de vordering van [partij A] niet kan toewijzen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
eigendom
4.3.
Als twee mensen samen eigenaar zijn van een hond, is het uitgangspunt dat zij allebei tijd met de hond moeten kunnen doorbrengen en de zorg voor de hond (maar ook de kosten) delen. De vraag is echter of in dit geval [partij B] en [partij A] wel samen eigenaar zijn, dat is in geschil. De voorzieningenrechter is alles overziend er niet voldoende zeker van dat in een bodemprocedure [partij A] op dit punt gelijk kan krijgen. De voorzieningenrechter begrijpt dat [partij A] op [naam hond] is gesteld, maar bij die stand van zaken kan er geen ordemaatregel komen die daarop vooruitloopt.
4.4.
Dat [partij A] de helft heeft bijgedragen in de aanschafkosten en de kosten van de verzorging, wijst inderdaad op mede-eigendom. Maar dat uitsluitend [partij B] op het pasje van Stichting Nederlandse Databank Gezelschapsdieren en op het dierenpaspoort als eigenaar is vermeld, wijst juist op het tegendeel. Weliswaar noemt [partij A] terecht dat op het pasje van genoemde stichting geen ruimte is voor de namen van twee eigenaren, maar dat geldt niet voor het dierenpaspoort. Daar had zijn naam wel vermeld kunnen worden, en dat is niet gebeurd.
4.5.
Verder heeft [partij B] aangevoerd dat het al bij de aanschaf van [naam hond] uitdrukkelijk de bedoeling was dat alleen zij eigenaar zou worden. Haar eerdere hond was overleden en [naam hond] kwam, zogezegd, voor deze hond in de plaats. Bovendien was volgens [partij B] de relatie tussen partijen al langere tijd niet stabiel. Het was, wat zij noemt, een knipperlichtrelatie. [partij A] zou wel bijdragen in de kosten van [naam hond] omdat hij deelde in het plezier van de hond, maar hij zou tegen deze achtergrond geen eigenaar worden. Partijen waren het erover eens dat als hun relatie zou eindigen, [naam hond] bij [partij B] moest blijven. Dit is in het bijzijn van de kinderen van [partij B] besproken, aldus [partij B] . [partij A] bestrijdt dit. Hij zegt dat partijen wel hebben gesproken over het scenario dat [partij B] alleen zou achterblijven met de hond ( [partij A] is 70, [partij B] is 55), maar niet is afgesproken dat alleen [partij B] eigenaar zou zijn.
4.6.
De voorzieningenrechter kan niet vaststellen wie er gelijk heeft. Daarvoor is verder feitenonderzoek en/of bewijslevering nodig, en dat kan alleen in een bodemprocedure. Bij deze stand deze stand van zaken heeft de voorzieningenrechter in dit kort geding onvoldoende aanknopingspunt om vooruitlopend daarop nu al aan te nemen dat [partij A] mede-eigenaar is en op basis daarvan een (voorlopige) beheersregeling vast te stellen op grond waarvan [naam hond] de helft van de tijd bij [partij A] is.
verdeling
4.7.
Maar ook als de voorzieningenrechter [partij A] op het punt van eigendom wel gelijk zou geven, is de uitkomst niet anders.
4.8.
Bij gemeenschappelijk eigendom mogen beide eigenaren namelijk – als zij er onderling niet uitkomen – te allen tijde vorderen dat de rechter de gemeenschap beëindigt en het gemeenschappelijke goed verdeelt. Dat geldt ook bij gezamenlijk eigendom van honden. De meest voor de hand liggende uitkomst is dan dat de rechter [naam hond] toedeelt aan een van partijen.
4.9.
Bij de afweging aan wie [naam hond] dan wordt toegedeeld, kan onder meer de vraag wie van partijen – aanwijsbaar – de meeste (emotionele) binding heeft een rol spelen. In dat verband is relevant dat [partij B] onweersproken naar voren heeft gebracht dat [naam hond] is aangeschaft om te voorzien in de lege plaats die haar eerdere, overleden hond had achtergelaten. Dat wijst dus duidelijk in de richting van [partij B] . Verder kan bij deze afweging ook worden gekeken naar het toekomstperspectief van [naam hond] in relatie tot de leeftijd van partijen. Gelet op het leeftijdsverschil tussen [partij A] en [partij B] wijst ook die invalshoek in het voordeel van [partij B] .
4.10.
Dat betekent dat ook als de voorzieningenrechter [partij A] zou volgen in zijn stellingen over de gezamenlijke eigendom, onvoldoende duidelijk is dat hij nu – en in de toekomst – het recht heeft/houdt om als mede-eigenaar [naam hond] een deel van de tijd bij zich te hebben. En dat brengt mee dat ook om die reden nu in dit kort geding geen ordemaatregel kan worden gegeven.
de eerdere afspraken
4.11.
Bij deze stand van zaken blijft nog over de vraag of [partij B] verplicht is om – ongeacht de discussie over de eigendom – de eerdere afspraken over [naam hond] na te komen.
4.12.
De voorzieningenrechter oordeelt van niet. Inderdaad staat vast dat partijen eerder hebben afgesproken om de tijd met [naam hond] min of meer gelijk te verdelen, en [partij A] heeft gelijk dat gemaakte afspraken in beginsel moeten worden nagekomen. Echter, zo’n afspraak kan juridisch bezien ook worden beëindigd (opgezegd). Soms moet daarbij wel, rekeninghoudend met de impact ervan, een redelijke opzegtermijn worden gehanteerd, maar dat is hier niet aan de orde. Toen [partij B] op 23 maart 2026 de ‘omgang’ van [partij A] met [naam hond] beëindigde, was [naam hond] nog maar relatief kort in het leven van [partij A] en waren er al de nodige spanningen in de relatie tussen partijen. Onder die omstandigheden was de beëindiging door [partij B] niet onaanvaardbaar.
slotsom
4.13.
De slotsom is dat de voorzieningenrechter de vordering van [partij A] afwijst.
in reconventie
4.14.
In reconventie vordert [partij B] een contact- en locatieverbod. Voor het contactverbod geldt dat het tegen diens wil blijven benaderen van een ander een onrechtmatige daad kan opleveren. Ter beëindiging daarvan kan een voorziening in kort geding worden gevraagd. Voor een locatieverbod als door [partij B] is gevorderd is, gelet op het sterk in de persoonlijke vrijheid van [partij A] ingrijpende karakter ervan, slechts plaats, wanneer de veiligstelling van de persoonlijke vrijheid van [partij B] tegen inbreuken daarop op geen andere wijze te bereiken is.
4.15.
[partij A] heeft erkend dat hij zich meerdere malen ongewenst heeft gedragen richting [partij B] . Zo heeft hij (kort na het einde van de relatie) stampij gemaakt bij het huis van [partij B] en er zijn momenten geweest dat hij [partij B] (samen met [naam hond] ) op straat tegenkwam en haar, tegen haar wil in, heeft benaderd en gevolgd.
4.16.
Zulk gedrag is niet aanvaardbaar en mag niet meer gebeuren. Dat het stelselmatig is gebeurd, is echter niet voldoende aannemelijk geworden. Dat herhaling op de loer ligt, evenmin. In dat verband heeft [partij A] op de zitting gezegd dat hij inziet dat het niet meer mag gebeuren. Verder is gebleken dat de confrontaties te maken hadden met onduidelijkheid over de vraag of [partij A] recht heeft op tijd met [naam hond] . Met dit vonnis is er op dat punt meer duidelijkheid gekomen.
4.17.
Doordat partijen bij elkaar in de buurt wonen, bestaat tegelijkertijd nog steeds de kans dat zij elkaar (in aanwezigheid van [naam hond] ) opnieuw tegenkomen. [partij B] heeft duidelijk gemaakt dat zij niet wil dat [partij A] haar in een voorkomend geval opnieuw benadert. Die grens moet [partij A] respecteren. Daarbij zal [partij A] – in het licht van dit vonnis – ook moeten aanvaarden dat hij in zo’n geval dus ook afstand moet houden van [naam hond] . Doet [partij A] dat niet, dan kan zo nodig ten aanzien van [partij B] alsnog een contact- en/of locatieverbod worden gevorderd en opgelegd.
proceskosten
4.18.
Omdat de zaak voortvloeit uit een (beëindigde) affectieve relatie zullen de proceskosten in conventie en reconventie tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van [partij A] af;
in reconventie
5.2.
wijst de vorderingen van [partij B] af;
in conventie en reconventie
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.C. van Essen en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.