ECLI:NL:RBDHA:2026:13750
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- A.S. Gaastra
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen aanvraag laissez-passer tijdens beroep asielprocedure
Verzoeker diende op 21 augustus 2022 een asielaanvraag in, die op 9 maart 2026 door de minister werd afgewezen met een terugkeerbesluit naar Bangladesh. Verzoeker stelde beroep in tegen deze afwijzing en vroeg op 21 mei 2026 een voorlopige voorziening om te voorkomen dat de minister op 26 mei 2026 een aanvraag om een laissez-passer zou indienen bij de Bengaalse autoriteiten.
De voorzieningenrechter oordeelde dat onverwijlde spoed aanwezig was vanwege de geplande indiening van de aanvraag vóór de behandeling van het beroep op 5 juni 2026. Verzoeker stelde dat het indienen van de aanvraag persoonsgegevens zou prijsgeven en de effectiviteit van het beroep zou aantasten, mede vanwege de vrees voor de Bengaalse autoriteiten en het non-refoulementbeginsel.
De voorzieningenrechter wees het verzoek af. Uit jurisprudentie volgt dat de minister tijdens het beroep terugkeerhandelingen mag verrichten zolang deze niet in strijd zijn met het non-refoulementbeginsel. Verzoeker was vooraf geïnformeerd en had het aanvraagformulier ontvangen. De gevreesde verhoogde aandacht van de Bengaalse autoriteiten werd onvoldoende onderbouwd. De aanvraag om een laissez-passer tast de effectiviteit van het beroep niet aan.
De minister hoeft de proceskosten van verzoeker niet te vergoeden. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het indienen van een aanvraag om een laissez-passer wordt afgewezen.