Eiser, een Somalische nationaliteit dragende man, diende een asielaanvraag in Nederland in nadat hij via Nederland naar Zweden was gereisd en daar asiel had aangevraagd. Hij beriep zich op discriminatie en bedreigingen vanwege zijn lidmaatschap van een minderheidsstam in Somaliland, met incidenten van mishandeling en een mesaanval als directe aanleiding voor zijn vlucht.
De minister wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat eiser onvoldoende bewijs leverde voor de bedreigingen en mishandelingen, inconsistenties vertoonde in zijn verklaringen en zijn asielaanvraag niet tijdig indiende. De rechtbank bevestigde deze afwijzing na beoordeling van de overgelegde documenten, waaronder medische rapporten, politieverklaringen en berichten op sociale media, die onvoldoende samenhang en geloofwaardigheid boden.
De rechtbank oordeelde dat de tweede en derde asielmotieven van eiser niet geloofwaardig waren, mede vanwege tegenstrijdige verklaringen over zijn vertrekreden, het gebruik van een reisagent ondanks een geldig visum, en het niet direct aanvragen van asiel. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen, waarmee eiser niet wordt beschermd tegen uitzetting.