Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
€ 8.472,06 (incl. BTW), die zou worden verrekend met toekomstige loonbetalingen.
Bij verlies/diefstal van het mobiele ICT Middel dient de gebruiker hiervan binnen 2 werkdagen melding te maken bij de ICT-Servicedesk-KA en (…) aangifte te doen. Na aangifte moet het proces-verbaal naar de ICT-Servicedesk-KA te worden gestuurd.
zonder goedkeuring van het management en positief beveiligingsadvies mag een medewerker niet tijdelijk vanuit het buitenland werken.Het Rijksportaal is toepasselijk en toegankelijk voor alle werknemers, waarop de CAO Rijk van toepassing is.
3.Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek
primair(I.) Vernietiging van de opzegging c.q. het gegeven ontslag op staande voet; (II.) RWS te veroordelen om binnen twee dagen na het wijzen van de beschikking tot toelating van werknemer tot de werkvloer teneinde de gebruikelijke werkzaamheden te verrichten op straffe van een dwangsom van € 100,-, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom per dag, voor elke dag of een gedeelte daarvan dat werknemer [1] in gebreke blijft aan de beschikking te voldoen, met een maximum van € 10.000,-; (III.) RWS te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de onder I. genoemde bedragen vanaf het opeisbaar worden van de bedragen tot de dag der algehele voldoening [2] ,
subsidiair(IV.) Indien het ontslag terecht wordt geacht RWS te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 10.000,- conform artikel 7:681 BW Pro; (V.) Betaling van een bedrag gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren, conform artikel 7:677 lid Pro 2 e.v. [BW]. Dit betreft een bedrag van € 4.024,11 bruto, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag; (VI.) RWS te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding; (VII.) RWS te veroordelen om aan werknemer schriftelijke en deugdelijke netto/bruto specificaties te verstrekken, waarin de bedragen van sub IV en V zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 100,- per dag, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom, met een maximum van € 10.000,- voor elke dag na 5 dagen na de datum van de beschikking dat RWS niet voldoet aan de beschikking; (VIII.) RWS te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de onder IV, V, VI en VII genoemde bedragen vanaf het opeisbaar worden van die bedragen tot de dag der algehele voldoening,
meer subsidiair(IX.) Indien het ontslag terecht wordt geacht: de transitievergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente, [te betalen] aan werknemer, met verklaring voor recht dat de ontslaggrond(en) niet als ernstig verwijtbaar aan werknemer kan worden toegerekend,
uiterst subsidiair(X.) Indien het ontslag terecht wordt geacht én sprake is van ernstige verwijtbaarheid van werknemer: RWS te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente aan werknemer, nu onthouding daarvan ex art. 7:673 lid 8 BW Pro naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is,
in alle gevallen(XI.) RWS te veroordelen tot betaling van het (achterstallige en toekomstige) salaris van werknemer, vermeerderd met alle emolumenten (waaronder vakantietoeslag), te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro wegens vertraging over het aan werknemer toekomende loon en de wettelijke rente aan werknemer; (XII.) RWS te veroordelen tot voldoening van (achterstallige en toekomstige) vakantiegeld en vakantie-uren, vermeerderd met wettelijke verhoging en wettelijke rente aan werknemer; (XIII.) RWS te veroordelen tot voldoening van de buitengerechtelijke incassokosten aan werknemer; (XIV.) RWS te veroordelen tot betaling van het door de Raad voor de Rechtsbijstand voor werknemer vastgestelde bedrag aan eigen bijdrage, ter hoogte van € 176,-, zulks binnen 14 dagen nadat een kopie van de verleende toevoeging aan RWS is verstrekt; (XV.) RWS te veroordelen in de (proces)kosten van deze procedure, waaronder het door werknemer te betalen griffierecht, de nakosten, aan de zijde van werknemer bepaald op € 157 voor (na)salaris advocaat, te vermeerderen, voor het geval betekening van het vonnis [3] heeft plaatsgevonden, met € 82 voor (na)salaris advocaat en de wettelijk [4] gemaakte kosten voor het doen uitbrengen van een exploot van betekening.
€ 750,- aan werkgeversbijdrage verduurzamingskosten woning; (3.) veroordeling van werknemer tot nakoming van de tussen werknemer en RWS op 25 maart 2025 overeengekomen maandelijkse betalingsverplichting (die is neergelegd in artikel 1.1 e.v. van de schriftelijke overeenkomst die is ingebracht als productie 3 bij het verweerschrift); (4.) indien en voor zover werknemer niet binnen veertien dagen na het wijzen van de (eind)beschikking voldoet aan de nakoming van zijn maandelijkse betalingsverplichting (zoals die is neergelegd in de als productie 3 bij het verweerschrift ingebrachte overeenkomst), om werknemer te veroordelen tot betaling van het resterende volledige bedrag van € 6.685,71 netto aan RWS; (5.) de veroordeling van werknemer in de kosten van de procedure alsmede in de nakosten, een en ander te betalen binnen veertien dagen na de betekening van de te wijzen (eind)beschikking, te vermeerderen met de wettelijke rente als betaling van de proceskosten/nakosten na veertien dagen na de betekening van de beschikking uitblijft.
4.De beoordeling van het verzoek
(€ 8.472,00 aan hoofdsom minus € 1.513,35 aan terugbetaalde termijnen) als restant van de op 25 maart 2025 door werknemer getekende schuldbekentenis. In dat kader volgt de kantonrechter de stelling van RWS dat uit artikel 1.9 in combinatie met artikel 1.1 van de ‘Betalingsregeling’ voortvloeit dat RWS alleen aan de toezegging om het meerdere van € 6.500,- niet terug te vorderen gehouden kan worden, indien werknemer het bedrag van € 6.500,- volgens het overeengekomen betalingsschema heeft terugbetaald. Daar staat echter tegenover dat artikel 2.3 bepaalt dat werknemer eerst schriftelijk in gebreke moet worden gesteld en dan nog een termijn van veertien dagen krijgt om alsnog te betalen. Werknemer is na zijn ontslag gestopt met terugbetaling en niet is gebleken dat RWS hem op enig moment daarna op de voorgeschreven wijze in gebreke heeft gesteld. Dat leidt ertoe dat werknemer vooralsnog alleen zal worden veroordeeld tot (terug)betaling van een bedrag van
(€ 6.500,- minus € 1.513,35 =) € 4.986,65 en dat hem de kans geboden wordt de afbetaling van dat bedrag op de afgesproken wijze te hervatten. Slechts bij niet nakoming van die regeling zal werknemer worden veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag van € 6.958,71.