Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13694

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
11889464 RP VERZ 25-50714
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:677 BWArt. 7:681 BWArt. 7:673 lid 8 BWArt. 7:625 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank bevestigt rechtsgeldigheid ontslag op staande voet wegens niet-melden diefstal werklaptop en onjuiste verklaringen

Werknemer was sinds december 2023 in dienst bij RWS met een tijdelijk contract tot november 2025. Na een eerdere schriftelijke berisping wegens niet-integer gedrag, waaronder privégebruik van een deelauto en verlies van een werklaptop, werd werknemer op 18 juli 2025 op staande voet ontslagen. Dit ontslag volgde op het meenemen van een werklaptop naar het buitenland zonder toestemming, diefstal van de laptop aldaar, het niet direct melden van de vermissing en het geven van ongeloofwaardige verklaringen.

Werknemer betwistte het ontslag en verzocht om vernietiging, wedertewerkstelling en diverse vergoedingen. RWS stelde dat het ontslag terecht was en vorderde onder meer een gefixeerde schadevergoeding en terugbetaling van bedragen. De kantonrechter oordeelde dat het ontslag rechtsgeldig was gegeven, omdat de combinatie van factoren een dringende reden vormde en werknemer onvoldoende gemotiveerd tegenbewijs leverde.

De kantonrechter verwierp het verweer dat het ontslag niet onmiddellijk was gegeven en dat het integriteitsonderzoek onvoldoende zorgvuldig was. Ook werd het verzoek tot wedertewerkstelling afgewezen omdat het dienstverband per 30 november 2025 eindigde. De tegenverzoeken van RWS tot betaling van schadevergoeding en terugbetaling werden toegewezen, terwijl de overige verzoeken van werknemer werden afgewezen. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet is rechtsgeldig gegeven en alle verzoeken van werknemer worden afgewezen, terwijl tegenverzoeken van RWS tot betaling worden toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Kantonrechter, zittingsplaats Den Haag
Zaaknummer / rekestnummer: 11889464 / RP VERZ 25-50714
CB/c
Beschikking van 8 mei 2026
in de zaak van:
[werknemer],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: werknemer,
gemachtigde: (eerst) mr. Y. Ersoy (Arslan & Ersoy Advocaten), (thans) mr. E.R. van Dijk-Lopes Lima (Advocatenkantoor Lopes Lima),
Toevoeging nr.: [nummer]
tegen
De Staat Der Nederlanden, De Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat,
zetelende te 's-Gravenhage,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: RWS,
gemachtigde: mr. R. van Vliet (RWS).

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, binnengekomen bij de griffie op 15 september 2025, met zeven producties (bijlagen 1 tot en met 7);
- de aanvulling op het verzoekschrift, binnengekomen bij de griffie op 30 oktober 2025, met vijf aanvullende producties (bijlagen 8 tot en met 12);
- het verweerschrift, tevens houdende zelfstandige (tegen en/of neven)verzoeken, binnengekomen bij de griffie op 24 december 2025, met twaalf producties (nrs. 1 tot en met 12);
- de brief van de gemachtigde van werknemer van 8 januari 2026 met zes aanvullende producties (bijlagen 30 tot en met 35).
1.2
De mondelinge behandeling is gehouden op 10 april 2025. Daarbij zijn van de zijde van RWS [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , alsmede de gemachtigde van RWS. Werknemer en zijn gemachtigde hebben digitaal aan de zitting deelgenomen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van werknemer een pleitnota overgelegd en voorgedragen. Van hetgeen verder tijdens de mondelinge behandeling is besproken heeft de griffier zakelijke aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden.
1.3
Na de mondelinge behandeling is het verzoek aangehouden voor nader overleg tussen partijen. Nadat de gemachtigde van RWS per e-mail van 21 april 2026 had laten weten dat een minnelijke regeling niet mogelijk is, is de uitspraak op het verzoek bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1
Werknemer, geboren [geboortedatum] 1998, is sinds 1 december 2023 in dienst geweest bij RWS op een dienstverband voor bepaalde tijd van 1 december 2023 tot en met 30 november 2025. De functie van werknemer was [functienaam] met een loon van (laatstelijk) € 4.024,11 bruto per maand. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Rijk van toepassing.
2.2
Bij brief van 27 januari 2025 heeft RWS op grond van paragraaf 15 van de CAO Rijk een schriftelijke berisping opgelegd in verband met niet-integer gedrag. Dit betrof onjuist gebruik van een deelauto, waaronder het maken van privéritten met de deelauto. Daarnaast was werknemer een werklaptop kwijtgeraakt. Een en ander heeft geleid tot een terugbetalingsverplichting van werknemer van een bedrag van
€ 8.472,06 (incl. BTW), die zou worden verrekend met toekomstige loonbetalingen.
2.3
In de brief van 27 januari 2025 is nog het volgende opgenomen:
Tot slot merk ik op dat overtreding van geldende wet- en regelgeving, zoals de hiervoor geschetste verplichting de mobiliteitskaart niet voor privéritten te gebruiken en alleen een thuiswerkvergoeding te declareren als u volledig thuis heeft gewerkt,nietmeer mag voorkomen.
Mocht u (onverhoopt) toch in overtreding zijn met één van de geldende regels, protocollen en/of afspraken, dan zullen er zwaardere disciplinaire maatregelen worden getroffen. Gelet op deze duidelijke waarschuwing dient u dan met name rekening te houden met (directe) beëindiging van uw dienstverband.
2.4
Op 25 maart 2025 heeft werknemer een ‘Betalingsregeling’ getekend op grond waarvan hij een bedrag van € 6.500,- (netto) aan RWS dient terug te betalen.
2.5
Op 14 mei 2025 heeft werknemer een Bruikleenovereenkomst getekend voor het gebruik van een werklaptop. In die overeenkomst staat vermeld:
Bij verlies/diefstal van het mobiele ICT Middel dient de gebruiker hiervan binnen 2 werkdagen melding te maken bij de ICT-Servicedesk-KA en (…) aangifte te doen. Na aangifte moet het proces-verbaal naar de ICT-Servicedesk-KA te worden gestuurd.
2.6
In het Rijksportaal staat onder het hoofdstuk ‘Tijdelijk werken vanuit het buitenland (onder meer) het volgende vermeld:
zonder goedkeuring van het management en positief beveiligingsadvies mag een medewerker niet tijdelijk vanuit het buitenland werken.Het Rijksportaal is toepasselijk en toegankelijk voor alle werknemers, waarop de CAO Rijk van toepassing is.
2.7
Bij e-mail van 27 mei 2025, schriftelijk door werknemer op 3 juni 2025 bevestigd, is werknemer vanaf 1 september 2025 vrijgesteld van werk voor het zoeken van een andere baan.
2.8
Op 22 juni 2025 is werknemer in [land] beroofd van zijn werklaptop. Werknemer heeft van die beroving niet terstond melding gemaakt bij zijn leidinggevende. Werknemer heeft de diefstal van de werklaptop na een overleg op 14 juli 2025 gemeld.
2.9
Onder meer naar aanleiding van de diefstal van de werklaptop is RWS een integriteitsonderzoek gestart, waarover werknemer op 15 juli 2025 is geïnformeerd. In het kader van dat onderzoek is werknemer op 16 juli 2025 gehoord.
2.1
Op 17 juli 2025 heeft werknemer zich ziek gemeld.
2.11
Op 18 juli 2025 is werknemer op staande voet ontslagen.

3.Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek

3.1
Werknemer verzoekt om uitvoerbaar bij voorraad,
primair(I.) Vernietiging van de opzegging c.q. het gegeven ontslag op staande voet; (II.) RWS te veroordelen om binnen twee dagen na het wijzen van de beschikking tot toelating van werknemer tot de werkvloer teneinde de gebruikelijke werkzaamheden te verrichten op straffe van een dwangsom van € 100,-, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom per dag, voor elke dag of een gedeelte daarvan dat werknemer [1] in gebreke blijft aan de beschikking te voldoen, met een maximum van € 10.000,-; (III.) RWS te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de onder I. genoemde bedragen vanaf het opeisbaar worden van de bedragen tot de dag der algehele voldoening [2] ,
subsidiair(IV.) Indien het ontslag terecht wordt geacht RWS te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 10.000,- conform artikel 7:681 BW Pro; (V.) Betaling van een bedrag gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren, conform artikel 7:677 lid Pro 2 e.v. [BW]. Dit betreft een bedrag van € 4.024,11 bruto, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag; (VI.) RWS te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding; (VII.) RWS te veroordelen om aan werknemer schriftelijke en deugdelijke netto/bruto specificaties te verstrekken, waarin de bedragen van sub IV en V zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 100,- per dag, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom, met een maximum van € 10.000,- voor elke dag na 5 dagen na de datum van de beschikking dat RWS niet voldoet aan de beschikking; (VIII.) RWS te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de onder IV, V, VI en VII genoemde bedragen vanaf het opeisbaar worden van die bedragen tot de dag der algehele voldoening,
meer subsidiair(IX.) Indien het ontslag terecht wordt geacht: de transitievergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente, [te betalen] aan werknemer, met verklaring voor recht dat de ontslaggrond(en) niet als ernstig verwijtbaar aan werknemer kan worden toegerekend,
uiterst subsidiair(X.) Indien het ontslag terecht wordt geacht én sprake is van ernstige verwijtbaarheid van werknemer: RWS te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente aan werknemer, nu onthouding daarvan ex art. 7:673 lid 8 BW Pro naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is,
in alle gevallen(XI.) RWS te veroordelen tot betaling van het (achterstallige en toekomstige) salaris van werknemer, vermeerderd met alle emolumenten (waaronder vakantietoeslag), te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro wegens vertraging over het aan werknemer toekomende loon en de wettelijke rente aan werknemer; (XII.) RWS te veroordelen tot voldoening van (achterstallige en toekomstige) vakantiegeld en vakantie-uren, vermeerderd met wettelijke verhoging en wettelijke rente aan werknemer; (XIII.) RWS te veroordelen tot voldoening van de buitengerechtelijke incassokosten aan werknemer; (XIV.) RWS te veroordelen tot betaling van het door de Raad voor de Rechtsbijstand voor werknemer vastgestelde bedrag aan eigen bijdrage, ter hoogte van € 176,-, zulks binnen 14 dagen nadat een kopie van de verleende toevoeging aan RWS is verstrekt; (XV.) RWS te veroordelen in de (proces)kosten van deze procedure, waaronder het door werknemer te betalen griffierecht, de nakosten, aan de zijde van werknemer bepaald op € 157 voor (na)salaris advocaat, te vermeerderen, voor het geval betekening van het vonnis [3] heeft plaatsgevonden, met € 82 voor (na)salaris advocaat en de wettelijk [4] gemaakte kosten voor het doen uitbrengen van een exploot van betekening.
3.2
Aan zijn verzoek legt werknemer te grondslag dat het ontslag op staande voet onterecht is gegeven omdat er geen dringende reden was voor ontslag en het ontslag bovendien niet onmiddellijk is gegeven. Tenslotte stelt werknemer dat RWS het onderzoek onzorgvuldig heeft verricht.
3.3
RWS voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. RWS voert daartoe ‑ samengevat ‑ aan dat hetgeen werknemer gedaan heeft, namelijk zonder toestemming een werklaptop mee te nemen naar net buitenland, die daar is gestolen, zonder daarvan meteen melding te maken en bovendien ongeloofwaardige uitlatingen te doen, en zeker na eerdere waarschuwingen, kwalificeert als een dringende reden voor ontslag.
3.4
Bij wijze van tegen- of nevenverzoeken verzoekt RWS, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: (2.) de veroordeling van werknemer om binnen veertien dagen na het wijzen van de (eind)beschikking aan RWS te betalen een totaalbedrag van € 6.321,29 netto, bestaande uit: (A.) € 3.823,22 netto aan gefixeerde schadevergoeding; (B.) € 1.748,07 netto aan onverschuldigd betaald loon; (C.)
€ 750,- aan werkgeversbijdrage verduurzamingskosten woning; (3.) veroordeling van werknemer tot nakoming van de tussen werknemer en RWS op 25 maart 2025 overeengekomen maandelijkse betalingsverplichting (die is neergelegd in artikel 1.1 e.v. van de schriftelijke overeenkomst die is ingebracht als productie 3 bij het verweerschrift); (4.) indien en voor zover werknemer niet binnen veertien dagen na het wijzen van de (eind)beschikking voldoet aan de nakoming van zijn maandelijkse betalingsverplichting (zoals die is neergelegd in de als productie 3 bij het verweerschrift ingebrachte overeenkomst), om werknemer te veroordelen tot betaling van het resterende volledige bedrag van € 6.685,71 netto aan RWS; (5.) de veroordeling van werknemer in de kosten van de procedure alsmede in de nakosten, een en ander te betalen binnen veertien dagen na de betekening van de te wijzen (eind)beschikking, te vermeerderen met de wettelijke rente als betaling van de proceskosten/nakosten na veertien dagen na de betekening van de beschikking uitblijft.
3.5
Aan zijn tegenverzoeken legt RWS ten grondslag dat het ontslag op staande voet ertoe leidt dat werkgever een gefixeerde schadevergoeding toekomt. Daarnaast heeft werknemer zich verplicht tot (terug)betaling van zekere bedragen, waarvan RWS thans ook nakoming wenst.

4.De beoordeling van het verzoek

4.1
Het gaat in deze zaak in de kern genomen om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd en of RWS moet worden veroordeeld tot wedertewerkstelling en doorbetaling van loon.
4.2
Vooreerst merkt de kantonrechter op dat van wedertewerkstelling hoe dan ook geen sprake kan zijn, omdat de arbeidsovereenkomst per 30 november 2025 is geëindigd en niet gesteld noch gebleken is dat de arbeidsovereenkomst daarna is verlengd.
4.3
Voorts stelt de kantonrechter voorop dat de ziekmelding van werknemer van 17 juli 2025, de dag nadat hij door RWS was gehoord en de dag voordat hem ontslag op staande voet is aangezegd geen verband houdt met de redenen van het ontslag, zodat geen opzegverbod tijdens ziekte aan het ontslag in de weg stond.
In het inleidende verzoek
4.4
De dringende reden voor RWS om werknemer ontslag op staande voet te geven is een combinatie van een aantal factoren. In de eerste plaats het gegeven dat werknemer zonder toestemming van RWS zijn werklaptop heeft meegenomen naar het buitenland, dat deze laptop aldaar is ontvreemd, dat werknemer daar niet meteen melding van heeft gemaakt, een en ander in combinatie met een aantal ongeloofwaardige uitlatingen rondom zijn reis naar het buitenland en hetgeen hij in het buitenland wilde verrichten voor RWS en dat allemaal in het licht van het feit dat werknemer nog geen half jaar daarvoor een duidelijke waarschuwing had gekregen dat bij een volgende overtreding van de richtlijnen van RWS werknemer rekening diende te houden met ontslag op staande voet.
4.5
Met betrekking tot al deze factoren heeft werknemer gesteld dat RWS deze niet heeft bewezen, terwijl de stelplicht en bewijslast bij RWS ligt. Daarin volgt de kantonrechter werknemer niet. RWS heeft aan het ontslag de in de vorige rechtsoverweging genoemde factoren ten grondslag gelegd en deze heeft werknemer niet gemotiveerd betwist. Zo heeft hij niet betwist dat hij zonder toestemming de werklaptop mee heeft genomen naar het buitenland, dat deze daar is gestolen en dat hij dat niet terstond aan RWS heeft gemeld. Ten opzichte van deze duidelijke factoren had het op de weg gelegen van werknemer om deze te ontkrachten, maar dat heeft hij niet gedaan. In een procedure als deze is het voldoende dat aannemelijk is dat deze factoren juist zijn en zonder gemotiveerde betwisting door werknemer zijn deze factoren het uitgangspunt voor de beoordeling van de in rechtsoverweging 4.1 genoemde vraag.
4.6
In dat licht oordeelt de kantonrechter dat het ontslag rechtsgeldig is gegeven. De combinatie van de genoemde factoren zijn in onderlinge samenhang zodanig ernstig te noemen dat sprake was van een dringende reden. Aan werknemer is duidelijk gemaakt dat hij de werklaptop niet zonder toestemming naar het buitenland mocht brengen, hem was voldoende duidelijk gemaakt dat hij vermissing direct moest melden, terwijl hij bij terugkomst uit het buitenland diverse verklaringen voor de reis en de vermissing heeft gegeven, die ofwel niet juist bleken te zijn ofwel niet onderbouwd werden of konden worden. Zeker in het licht van de ondubbelzinnige waarschuwing dat een verdere inbreuk op de integriteitsverplichtingen zouden kunnen leiden tot ontslag maakt dat werknemer een gewaarschuwd man was. Weliswaar dienen de factoren waarop het ontslag op staande voet is gestoeld zelfstandig dat ontslag te kunnen dragen (hetgeen zij naar het oordeel van de kantonrechter doen), maar de eerdere waarschuwing maakt wel dat werknemer zich duidelijk bewust heeft moeten zijn van de consequenties van een opvolgende overtreding.
4.7
Het verweer dat het ontslag niet onmiddellijk is gegeven en/of het integriteitsonderzoek niet voldoende zorgvuldig is uitgevoerd verwerpt de kantonrechter. Pas op 14 juli 2025 heeft werknemer de vermissing van de laptop gemeld, RWS is daarop meteen een onderzoek gestart, in dat kader heeft op 16 juli 2025 hoor en wederhoor plaatsgevonden en is hij op 18 juli 2025 ontslagen. Dat is zonder meer voortvarend en tegelijkertijd zorgvuldig te noemen.
4.8
Gelet op de ernst van de hiervoor genoemde factoren leidt het betrekken van de persoonlijke omstandigheden van werknemer niet tot een ander oordeel.
4.9
Uit het voorgaande vloeit voort dat het ontslag op staande voet in stand zal blijven. Het verzoek tot vernietiging daarvan zal dus worden afgewezen, alsmede alle andere verzoeken, al dan niet primair, subsidiair, meer subsidiair of uiterst subsidiair, die daarmee verband houden, zoals doorbetaling van loon, of een schadevergoeding ter hoogte daarvan, de transitievergoeding en vergoeding van vakantiegeld en vakantie-uren, alsmede de gevraagde verklaring voor recht dat het ontslag niet als ernstig verwijtbaar aan werknemer kan worden toegerekend.
4.1
Een apart woord verdient nog het verzoek van werknemer tot betaling van een billijke vergoeding. Die zou onder omstandigheden, ook bij instandblijving van het ontslag, aan de orde kunnen zijn, maar daarvoor is dan wel vereist dat RWS ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Daarvan is naar het oordeel van de kantonrechter, met verwijzing naar de hieraan voorafgaande overwegingen, geen sprake.
4.11
Alles tezamen genomen leidt dit ertoe dat alle verzoeken van werknemer zullen worden afgewezen.
In de tegenverzoeken van RWS
4.12
RWS beroept zich op artikel 7:677 lid 2 BW Pro en maakt aanspraak op een gefixeerde schadevergoeding van € 3.822,22 netto (€ 6.805,29 bruto). De kantonrechter stelt vast dat werknemer tegen dit verzoek op zich noch tegen de hoogte van de schadevergoeding verweer heeft gevoerd, zodat dit verzoek als niet (gemotiveerd) betwist kan en zal worden toegewezen.
4.13
Eveneens heeft werknemer geen verweer gevoerd tegen het verzoek om onverschuldigd betaald loon, teveel opgenomen verlofuren en niet opgebouwd IKB-budget tot een bedrag van € 1.748,07 netto (€ 3.409,39 bruto), zodat ook dat verzoek zal worden toegewezen.
4.14
Ook tegen het verzoek tot terugbetaling van € 750,- terzake van een bijdrage voor de verduurzaming van een woning heeft werknemer geen verweer gevoerd, zodat ook dat verzoek zal worden toegewezen.
4.15
RWS verlangt dat werknemer nog een bedrag (terug)betaalt van € 6.958,71
(€ 8.472,00 aan hoofdsom minus € 1.513,35 aan terugbetaalde termijnen) als restant van de op 25 maart 2025 door werknemer getekende schuldbekentenis. In dat kader volgt de kantonrechter de stelling van RWS dat uit artikel 1.9 in combinatie met artikel 1.1 van de ‘Betalingsregeling’ voortvloeit dat RWS alleen aan de toezegging om het meerdere van € 6.500,- niet terug te vorderen gehouden kan worden, indien werknemer het bedrag van € 6.500,- volgens het overeengekomen betalingsschema heeft terugbetaald. Daar staat echter tegenover dat artikel 2.3 bepaalt dat werknemer eerst schriftelijk in gebreke moet worden gesteld en dan nog een termijn van veertien dagen krijgt om alsnog te betalen. Werknemer is na zijn ontslag gestopt met terugbetaling en niet is gebleken dat RWS hem op enig moment daarna op de voorgeschreven wijze in gebreke heeft gesteld. Dat leidt ertoe dat werknemer vooralsnog alleen zal worden veroordeeld tot (terug)betaling van een bedrag van
(€ 6.500,- minus € 1.513,35 =) € 4.986,65 en dat hem de kans geboden wordt de afbetaling van dat bedrag op de afgesproken wijze te hervatten. Slechts bij niet nakoming van die regeling zal werknemer worden veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag van € 6.958,71.
Proceskosten
4.16
De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft.

5.De beslissing

De kantonrechter:
In het inleidende verzoek
5.1
wijst de verzoeken van werknemer af,
In de tegenverzoeken van RWS
5.2
veroordeelt werknemer om binnen veertien dagen na heden aan RWS te betalen een bedrag van € 6.321,29 netto terzake van gefixeerde schadevergoeding, onverschuldigd betaald loon en looncomponenten en terugbetaling bijdrage verduurzaming woning;
5.3
veroordeelt werknemer tot betaling van een bedrag van € 4.986,65 volgens het in artikel 1.2 van de Betalingsregeling van 25 maart 2025 bepaalde betalingsschema, te hervatten uiterlijk binnen veertien dagen na heden, bij gebreke waarvan werknemer een bedrag ineens van € 6.958,71 verschuldigd zal zijn, verminderd met de na heden betaalde termijnen;
5.4
wijst het meer of anders verzochte af,
In beide verzoeken
5.5
verklaart hetgeen is beslist in rechtsoverwegingen 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad;
5.6
bepaalt dat partijen ieder hun eigen proceskosten betalen.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. C.W.D. Bom en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026 in aanwezigheid van de griffier,-

Voetnoten

1.Bedoeld zal zijn ‘werkgever’, ‘verweerster’ of ‘RWS’, maar dat staat er niet.
2.De kantonrechter merkt op dat onder I. in het geheel geen bedragen worden genoemd, zodat niet duidelijk is waarop dit verzoek betrekking heeft.
3.Bedoeld zal zijn: ‘de beschikking’.
4.Bedoeld zal zijn: ‘werkelijk’.