Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13679

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
NL25.48433
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag met dwangsom opgelegd

Eiser heeft op 6 oktober 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag van 8 maart 2024. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken en dat eiser verweerder tijdig in gebreke heeft gesteld met een brief van 11 september 2025.

De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond wegens overschrijding van de beslistermijn. Omdat nog geen besluit is genomen, draagt de rechtbank de minister op binnen acht weken na deze uitspraak alsnog een besluit te nemen.

Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag vertraging met een maximum van €7.500. Verweerder wordt tevens veroordeeld in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €467, vanwege de noodzaak van rechtsbijstand. De uitspraak is gedaan door rechter E.M.A. Vinken op 24 april 2026.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt opgedragen binnen acht weken alsnog een besluit te nemen met oplegging van een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht zaaknummer: NL25.48433
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. M. Issa),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Op 6 oktober 2025 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op zijn asielaanvraag1 van 8 maart 2024.
Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.2
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op zijn aanvraag, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag (de ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.3
3. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken. De rechtbank stelt verder vast dat eiser verweerder bij brief van 11 september 2025 heeft medegedeeld dat verweerder in gebreke is tijdig een besluit te nemen. Hierna zijn meer dan twee weken verstreken voordat eiser op 6 oktober 2025 beroep heeft ingesteld.
4. Gelet op het voorgaande is het beroep ontvankelijk en is sprake van overschrijding van de beslistermijn. De rechtbank verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van eiser daarom kennelijk gegrond.
1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2 Op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3 Zie de artikelen 6:2, aanhef en onder b, van de Awb en 6:12, eerste en tweede lid, van de Awb.
5. Aangezien het beroep gegrond is en nog geen besluit bekend is gemaakt, zal de rechtbank verweerder opdragen alsnog een besluit te nemen. Daarbij zal de rechtbank verweerder een termijn stellen voor het nemen van het nieuwe besluit.4
6. Uit het procesdossier blijkt dat de maximale beslistermijn van 21 maanden inmiddels is overschreden. De rechtbank neemt in dat geval het uitgangspunt dat verweerder binnen acht weken op de asielaanvraag moet beslissen. Daarom bepaalt de rechtbank dat verweerder binnen acht weken na bekendmaking van deze uitspraak een besluit aan eiser bekend moet maken.
7. De rechtbank bepaalt verder dat een dwangsom wordt verbeurd voor elke dag dat verweerder in gebreke blijft om aan de termijn van deze uitspraak te voldoen.5 In overeenstemming met de vaste gedragslijn van de zittingsplaats Den Haag, stelt de rechtbank de hoogte van de dwangsom vast op een bedrag van € 100,- voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden. In overeenstemming met de vaste gedragslijn wordt het maximum bepaald op €7.500,-.
8. Gelet op het voorgaande, veroordeelt de rechtbank verweerder in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).6 De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is verstreken. Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
4 Op grond van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb.
5 Met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
6 Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van eiser gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen op de aanvraag;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van
L.D. Ruis, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 24 april 2026

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.