ECLI:NL:RBDHA:2026:13668
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren maatregel bewaring en verzoek om lichter middel in vreemdelingenrecht
De minister van Asiel en Migratie legde op 19 maart 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank toetste de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring vanaf 3 april 2026, het moment van het sluiten van het eerdere onderzoek.
Eiser voerde aan dat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn en dat de minister onvoldoende voortvarend is in de voorbereidingen, mede omdat een laissez passer sinds januari 2026 niet is afgegeven en er te weinig vertrekgesprekken plaatsvinden. De rechtbank oordeelde dat de minister regelmatig rappelleert bij de Algerijnse autoriteiten en voldoende vertrekgesprekken voert, waarbij eiser niet alle medewerkingsmogelijkheden benut.
Verder stelde eiser dat een lichter middel, zoals een meldplicht of vrijheidsbeperking op een andere locatie, passend zou zijn. De rechtbank verwierp dit omdat er een risico op onttrekking bestaat en eiser niet actief meewerkt aan zijn terugkeer. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.