ECLI:NL:RBDHA:2026:13643
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren maatregel bewaring en rechtmatigheid terugkeerbesluit Marokko
Eiser is op 8 april 2026 in bewaring gesteld ter uitvoering van een terugkeerbesluit naar Marokko. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank beoordeelde de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring vanaf 14 april 2026, het moment van het sluiten van het onderzoek in de voorgaande procedure.
Eiser voerde aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde omdat er tussen 23 april en 15 mei 2026 geen uitvoeringshandelingen waren verricht en dat zicht op uitzetting ontbrak vanwege het ontbreken van een reactie op de aanvraag van een laissez-passer (LP). De rechtbank stelde vast dat verweerder meerdere rappels heeft gedaan bij de Marokkaanse autoriteiten en dat vertrekgesprekken zijn gehouden. Ook werd de proceshouding van eiser betrokken, die aangaf alleen mee te werken als een LP wordt afgegeven.
De rechtbank concludeerde dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitvoering van het terugkeerbesluit en dat er geen indicaties zijn dat het voortduren van de maatregel onevenredig bezwarend of disproportioneel is. Er is geen reden om aan te nemen dat het beginsel van non-refoulement of belangen genoemd in artikel 5 van Pro richtlijn 2008/115 aan de uitvoering in de weg staan. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.