ECLI:NL:RBDHA:2026:1363
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in zaak verblijfsvergunning
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning, welke door de minister van Asiel en Migratie op 15 augustus 2025 is afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek samen met de hoofdzaak op 21 januari 2026 in een zitting te Groningen, waarbij verzoeker, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister aanwezig waren. Na het onderzoek op de zitting werd het verzoek beoordeeld.
De voorzieningenrechter oordeelde dat nu de hoofdzaak (zaaknummer NL25.39848) op dezelfde dag is behandeld en uitspraak is gedaan, een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is behandeld en uitspraak is gedaan.