Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13535

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
NL26.18859
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening in asielzaak Dublin Frankrijk

Verzoekster heeft een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, welke door de minister niet in behandeling is genomen omdat Frankrijk volgens het Dublin-verdrag verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en tevens is een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening samen met de bodemzaak behandeld en geoordeeld dat een voorlopige voorziening niet meer nodig is vanwege de uitspraak in de bodemzaak.

Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Wel is de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoekster, vastgesteld op € 934,-, voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Er is geen extra vergoeding toegekend voor het verschijnen ter zitting omdat die reeds in de bodemzaak is toegekend.

De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter mr. G.P. Loman en is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 934,-.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18859

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster] , V-nummer: [V-nummer] , verzoekster

mede namens haar minderjarige kinderen
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3], V-nummers: [V-nummer] , [V-nummer] en [V-nummer]
(gemachtigde: mr. L.M. Straver),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. J. Wieman).

Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, tezamen met de zaak NL26.18858, op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen mevr. Bensmail. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL26.18858, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
2. Gelet op de uitkomst van de bodemzaak veroordeelt de voorzieningenrechter de minister wel in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden vastgesteld op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Omdat er al een proceskostenvergoeding voor het verschijnen ter zitting (1 punt) in het kader van het beroep is toegekend, krijgt verzoekster hiervoor niet nogmaals apart een vergoeding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
26 mei 2026

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.